Home > Ondernemingsrecht > Wettelijke rente of wettelijke handelsrente?
Wettelijke rente of wettelijke handelsrente?

Wettelijke rente of wettelijke handelsrente?

Wie, wat en waarom?
Om verschillende redenen kan op een partij de verplichting rusten een geldsom te voldoen aan een andere partij. In de ideale wereld wordt een dergelijke verplichting natuurlijk altijd tijdig voldaan. Helaas leven we niet in een ideale wereld en komt een schuldenaar in de praktijk zijn verplichtingen nog wel eens niet (tijdig) na. In dit artikel ga ik in op één van de gevolgen die deze situatie met zich brengt: het aanspraak maken op wettelijke rente dan wel wettelijke handelsrente. Meer specifiek wordt ingegaan op het verschil tussen deze beide vormen van rente.

Wettelijke rente (6:119 Burgerlijk Wetboek)
Een verbintenis tot betaling van een geldsom kan op verschillende manieren ontstaan. Zo kan de verbintenis voortvloeien uit een tussen partijen gesloten overeenkomst of kan de verbintenis uit de wet ontstaan. Een voorbeeld van een verbintenis die voortvloeit uit de wet, is de verplichting tot het vergoeden van de schade die als gevolg van een onrechtmatige daad is ontstaan.

Onze wet bepaalt dat indien een schuldenaar toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van zijn verbintenis tot betaling van een geldsom, de schuldeiser recht heeft op wettelijke rente. Wettelijke rente wordt gezien als een gefixeerde schadevergoeding voor de schade die de schuldeiser lijdt door het niet op tijd ontvangen van zijn geld. De grondslag voor de aanspraak op wettelijke rente is vastgelegd in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek.

De hoogte van de wettelijke rente is niet in de wet vastgelegd, maar wordt nader bepaald bij Algemene Maatregel van Bestuur waardoor de hoogte na een bepaalde periode weer gemakkelijk gewijzigd kan worden. Vanaf 1 januari 2015 bedraagt de wettelijke rente van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek 2% per jaar.

Het leerstuk van de wettelijke rente heeft tot gevolg dat een schuldeiser naast de hoofdsom tevens 2% wettelijke rente over die hoofdsom kan claimen. Hij hoeft hiervoor niet te bewijzen dat hij schade heeft geleden door het niet tijdig ontvangen van zijn geld.

Dat een schuldenaar geen bewijs hoeft te leveren van de schade die hij heeft geleden door het niet tijdig ontvangen van zijn geld, wil niet zeggen dat hij niets hoeft te doen om aanspraak te maken op wettelijke rente. Een schuldenaar dient op grond van de wet namelijk wettelijke rente te betalen over de periode dat hij in verzuim is met de voldoening van zijn schuld. Voor het intreden van verzuim kan een nadere handeling van de schuldeiser (bijvoorbeeld het sturen van een aanmaning of ingebrekestelling), noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin een dergelijke handeling nodig is verwijs ik u graag naar het artikel ‘De ingebrekestelling: een essentiële formaliteit’ van mijn collega Karin Harmsen.

Wettelijke handelsrente (6:119a Burgerlijk Wetboek)
Naast de ‘gewone’ wettelijke rente zoals deze hiervoor is uiteengezet, kent ons Burgerlijk Wetboek in artikel 6:119a tevens de wettelijke handelsrente. Artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek vormt de implementatie van de Europese richtlijn (2000/35) betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties en kent dus een Europese oorsprong.

De rentevoet van de wettelijke handelsrente is aanmerkelijk hoger dan van de ‘gewone’ wettelijke rente van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek. Per 1 juli 2016 bedraagt de wettelijke handelsrente 8% per jaar. Met deze hogere rentevoet heeft de Europese Unie beoogd de kosten van betalingsachterstanden in het bedrijfsleven zodanig hoog te maken dat het oplopen van betalingsachterstanden onaantrekkelijk wordt. Dit alles ter bescherming van het midden- en kleinbedrijf.

Zoals de naam en het voorgaande wellicht al doen vermoeden, is de wettelijke handelsrente van toepassing op handelstransacties. Essentieel is dan ook om in een specifiek geval vast te stellen of sprake is van een handelstransactie.

Wat is een handelstransactie?
Met deze vraag werd het gerechtshof ’s-Hertogenbosch recent geconfronteerd in een zaak betreffende een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een onroerende zaak, die zowel zou gaan fungeren als woonhuis als van waaruit een varkenshouderij zou gaan worden uitgeoefend. De persoon die tot voldoening van de aanneemsom werd aangesproken betoogde dat hij geen wettelijke handelsrente verschuldigd was omdat hij in privé eigenaar was van de onroerende zaak en de onroerende zaak geen eigendom was van de VOF die de varkenshouderij zou gaan exploiteren.

Het gerechtshof oordeelde dat de vraag of sprake was van een handelstransactie autonoom en eenvormig in alle Europese landen moet worden uitgelegd en verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2016. In dat arrest wordt met een verwijzing naar oudere Europese regelgeving het begrip ‘handelstransactie’ gedefinieerd als iedere transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding. Onder onderneming wordt in dat kader volgens het Hof van Justitie verstaan: elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend.
Voor het vaststellen van de vraag of sprake is van een handelstransactie en er een aanspraak op de hogere handelsrente bestaat, moeten dan ook de volgende twee vragen gesteld worden:

  1. Is er sprake van een overeenkomst om baat tot het leveren van goederen of diensten? ; en
  2. Is de overeenkomst gesloten door een organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit?

Enkele vuistregels
De eerste vraag kan relatief eenvoudig worden vastgesteld. Een belangrijke vuistregel die de eerste vraag met zich brengt is dat dat een verplichting tot vergoeding van schade niet kwalificeert als handelstransactie. Rente over schadevergoedingen dient dus altijd op grond van art. 6:119 BW te worden gevorderd.

De tweede vraag laat zien dat de wettelijke handelsrente niet geldt voor overeenkomsten met of tussen consumenten. Wanneer sprake is van een overeenkomst met een consument kan soms wat lastig te beantwoorden zijn. Op basis van de definitie die het Hof van Justitie toekent aan het begrip ‘onderneming’ betreft een overeenkomst in ieder geval niet een consument indien er wordt gehandeld in het kader van een zelfstandige of economische beroepsmatige activiteit.

Volgens het Hof van Justitie wordt in het kader van een zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit gehandeld indien er sprake is van een activiteit die gestructureerd en duurzaam wordt uitgeoefend en de transactie ook wordt gesloten in het kader van die activiteit. Om te bepalen of een persoon daadwerkelijk in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit handelt, moeten volgens het Hof van Justitie alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken. Tot die omstandigheden behoren onder meer (maar niet uitsluitend) de vraag of onder een handelsnaam wordt gehandeld en of en op wiens naam een factuur wordt uitgereikt.

Omdat de persoon in de hiervoor aangehaalde procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de correspondentie over de aannemingsovereenkomst herhaaldelijk gebruik maakte van het briefpapier van de varkenshouderij en de aannemingsovereenkomst bovendien strekte tot de bouw van een onroerende zaak waarin een gestructureerde en duurzame bedrijfsmatige activiteit, een varkenshouderij zou worden uitgeoefend, oordeelde het gerechtshof dat wel degelijk wettelijke handelsrente verschuldigd was.

Tot slot
Mocht u vragen hebben of u in een concreet gevallen aanspraak kan maken op wettelijke rente dan wel wettelijke handelsrente, neem dan vooral contact met ons op. Onze ondernemingsrechtspecialisten adviseren u graag.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen