Home > Procesrecht > PROCESRECHT: Twee keer in hoger beroep van een civiel vonnis?
PROCESRECHT: Twee keer in hoger beroep van een civiel vonnis?

PROCESRECHT: Twee keer in hoger beroep van een civiel vonnis?

‘Ne bis in idem’ is in het Nederlandse recht een belangrijk rechtsbeginsel. Het betekent ‘niet twee keer voor hetzelfde’ in het Latijn. Met dit rechtsbeginsel wordt aangeduid dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een (strafbaar) feit waarvoor hij reeds is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

In het civiele recht kennen we deze algemene regel van ‘ne bis in idem’ niet. Er is dus geen algemene regel die een partij ervan weerhoudt om over hetzelfde geschil, waarschijnlijk bij een onbevredigende uitkomst, nog een keer te procederen. In de praktijk komt het dan ook wel voor dat een partij, die zich geconfronteerd ziet met een afwijzend vonnis, zichzelf een ‘herkansing’ gunt in een nieuwe procedure. De gedaagde procespartij wil dan nog wel eens proberen de rechter te verleiden om de eisende partij niet ontvankelijk te verklaren op grond van het ‘ne bis in idem’ beginsel. Een uitspraak van de Rechtbank Den Bosch is hier een voorbeeld van. De rechtbank merkt allereerst op dat – in tegenstelling tot in het strafrecht – in het civiele recht het beginsel ‘ne bis in idem’ niet geldt. Volgens de rechtbank moet elke vordering die door een eiser wordt ingediend, door de civiele rechter beoordeeld worden, ook al betreft het dezelfde procespartijen en ook al worden dezelfde vorderingen ingediend op dezelfde grondslag.

Toch lopen die procedures in de praktijk vaak spraak op een andere grond.  Artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt immers (versimpeld gezegd) dat beslissingen van de rechter, waartegen men niet meer in hoger beroep kan,  bindende kracht hebben. Men noemt dat ‘gezag van gewijsde’.

Het instellen van een zogenaamd ‘rechtsmiddel’, dus bijvoorbeeld hoger beroep bij het Gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad, is vaak de enige kans om ‘nog een keer’ te procederen over eenzelfde geschil. Dit noemt met ‘het gesloten stelsel van rechtsmiddelen’. Men hecht hieraan in het Burgerlijk Procesrecht.

Nu deed er zich in 2014 een interessante situatie voor over dit gesloten stelsel van rechtsmiddelen en het recht op een ‘een tweede kans’. De Hoge Raad oordeelde hierover in 2016.

Wat was er gebeurd? Partijen waren met elkaar in geschil over een al dan niet gerechtigde ontbinding van een huurovereenkomst van een kantoor met showroomruimte. De kantonrechter heeft bij vonnis van 10 maart 2014 (onder meer) de huurovereenkomst ontbonden. Iets meer dan twee weken nadat de kantonrechter op 10 maart 2014 uitspraak heeft gedaan, wordt  door de ‘verliezende’ partij hoger beroep ingesteld. De zaak wordt enkele weken later, op 22 april 2014, bij Hof Amsterdam aangebracht. Dit Hof hanteerde destijds een pilotreglement waarin getest werd met strikte termijnen voor het indienen van een nadere onderbouwing van het hoger beroep (de zogenaamde ‘memorie van grieven’). Deze grieven moeten uiterlijk binnen zes weken nadat het hoger beroep is ingesteld, dus uiterlijk op 3 juni 2014, worden ingediend.

De partij die in hoger beroep is gegaan (‘de appellant’) heeft de grieven niet tijdig ingediend. Het Hof past het strikte pilotregelement toe en het recht van appellant om van grieven te dienen wordt vervallen verklaard. Kort en goed: einde procedure.

De appellant gunt zichzelf echter een herkansing . Bij dagvaarding van 6 juni 2014 stelt appellant opnieuw hoger beroep in. Door de snelle gang van zaken was de beroepstermijn van drie maanden toen nog niet verstreken. De zaak wordt voor de tweede keer aangebracht  bij het Hof, ditmaal op (de administratieve rol van)  15 juli 2014. Inmiddels is dan het arrest van 1 juli 2014 waarbij appellant niet-ontvankelijk is verklaard, uitgesproken. De gedaagden in hoger stellen zich op het standpunt dat appellant ook in dit tweede hoger beroep niet kan worden ontvangen. Er is immers al einduitspraak gedaan.

De vraag is dus of twee keer in hoger beroep gaan tegen hetzelfde vonnis mogelijk is in het geval er al einduitspraak is gedaan. Het Hof meent van niet, met kort gezegd de volgende overwegingen:

(i) het verzuim om in het eerste hoger beroep van grieven te dienen, kan niet worden hersteld door een tweede hoger beroep;
(ii) nu door het hof al een eindarrest is gewezen is aan de appelinstantie definitief een einde gekomen; het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat alleen nog beroep in cassatie openstaat.

Dit laatste, beroep in cassatie, is voor een partij vaak niet zo interessant omdat de Hoge Raad uit moet gaan van alle feiten zoals deze in de procedure zijn vastgesteld. Dit rechtsmiddel biedt dus niet de mogelijkheid, anders dan bij het Hof, om de procedure, inclusief de feiten, helemaal opnieuw te doen. De appellant heeft dus wel degelijk belang bij een ‘herkansing’.

Over de eerste overweging van het Hof had de Hoge Raad zich al eerder (anders) uitgelaten. Zolang de rechtsmiddelentermijn nog niet is verstreken, staat het een partij in beginsel vrij om, een rechtsmiddel nogmaals in te stellen. Er mag dus binnen de appeltermijn voor een tweede maal hoger beroep tegen hetzelfde vonnis worden ingesteld.

Dit neemt niet weg dat een herhaald rechtsmiddel onder omstandigheden wel in strijd kan komen met de eisen van een goede procesorde. Dat is met name het geval indien de tegen dezelfde uitspraak gerichte dagvaardingen onderling onverenigbaar zouden zijn of de wederpartij (anderszins) door de gang van zaken is benadeeld. Maar dat zijn dus uitzonderingen op de regel. Van een uitzondering was in dit geval geen sprake.

Staat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dan dit tweede hoger beroep in de weg? Er is immers al een eindarrest gewezen. Er zijn geen eerdere uitspraken van de Hoge Raad die zich daar concreet over uitlaten. Het zal overigens ook niet zo vaak gebeuren dat nog binnen de appeltermijn (eind)arrest wordt gewezen (de meeste beroepen worden op de laatste of voorlaatste dag van de appeltermijn ingesteld, zo leert de praktijk) en ook nog eens tijdig voor de tweede keer hoger beroep is ingesteld.

De Hoge Raad herhaalt dat een partij die tijdig en op de juiste wijze een tweede hoger beroep instelt in beginsel ontvankelijk is en dat aan dit rechtsmiddel zelfstandige betekenis toekomt. Op dat tweede hoger beroep moet dus gewoon worden beslist. Maar voor die gevallen waarin reeds op het eerdere hoger beroep is beslist, formuleert de Hoge Raad een nieuwe uitzondering op de regel dat het een partij vrij staat om een rechtsmiddel nogmaals in te stellen. Een appellant kan ook dan niet-ontvankelijk zijn in zijn tweede hoger beroep indien de behandeling van dat hoger beroep niet valt te verenigen met een beslissing die inmiddels is gegeven in het eerder ingestelde hoger beroep. De Hoge Raad formuleert dit als een uitzondering naast de reeds aanvaarde uitzondering dat het instellen van het tweede hoger beroep in strijd komt met de eisen van een goede procesorde.

Of de behandeling van het tweede hoger beroep valt te verenigen met de al genomen beslissing in het eerdere hoger beroep, is een vraag die niet makkelijk te beantwoorden is. De Hoge Raad maakt ons in ieder geval duidelijk dat van een onverenigbaarheid geen sprake is indien er geen inhoudelijke behandeling van het eerste hoger beroep heeft plaatsgevonden, zoals in dit geval dus. De beslissing tot niet-ontvankelijkheid wegens het niet-tijdig dienen van grieven betreft geen beslissing die zich niet verdraagt met een eventuele inhoudelijke beslissing op het tweede hoger beroep. Op het inhoudelijke geschil is immers nog niet beslist.

Kortom: een partij die op tijd en op een juiste manier voor de tweede keer hoger beroep instelt tegen eenzelfde uitspraak, is in beginsel ontvankelijk in het tweede hoger beroep. De rechter moet er dan gewoon over oordelen. Dat is de hoofdregel. Dat is alleen anders indien (i) het instellen daarvan in de gegeven omstandigheden in strijd komt met de eisen van een goede procesorde (dat is met name het geval indien de tegen dezelfde uitspraak gerichte dagvaardingen onderling onverenigbaar zouden zijn of de wederpartij anderszins door de gang van zaken is benadeeld) of (ii) indien de behandeling van dat hoger beroep niet valt te verenigen met een beslissing die inmiddels is gegeven in het eerder ingestelde hoger beroep. Dat laatste zal niet snel het geval zijn indien het Hof in het eerder ingestelde hoger beroep (nog) niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil is toegekomen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen