Home > Algemeen > Moet 843a Rv per se bij dagvaarding?
Moet 843a Rv per se bij dagvaarding?

Moet 843a Rv per se bij dagvaarding?

Waarschijnlijk niet (meer). Nog even kort artikel 843a Rv. Op grond van artikel 843a Rv kan een partij die (1) een rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel vorderen van (2) bepaalde bescheiden aangaande (3) een rechtsbetrekking waarbij hij/zij partij is.

De tekst van het artikel lijkt te suggereren, door het woord ‘vorderen’, dat enkel bij dagvaarding artikel 843a Rv in stelling kan worden gebracht. Dit standpunt ligt genuanceerder. We weten overigens al enige tijd dat artikel 843a Rv ook in een kort geding in stelling kan worden gebracht.

De situatie
De situatie doet zich met enige regelmaat voor dat een partij overweegt om een procedure te starten, maar nog niet over voldoende bewijs beschikt om de vordering ‘hard’ te maken. Dan zijn er meerdere juridische middelen beschikbaar om dat bewijs te verkrijgen voordat de inhoudelijke discussie tot in detail hoeft te worden gevoerd. Gedacht kan daarbij worden, en voor dit artikel relevant, aan het in stelling brengen van artikel 843a Rv of door een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (186 Rv e.v.).

Vanuit proceseconomische reden wordt met enige regelmaat in het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (dit moet in een verzoekschriftprocedure worden gevraagd en niet in een dagvaardingsprocedure) tevens een beroep gedaan op artikel 843a Rv (je bent immers al ‘bewijsbehoeftig’). Zo vang je twee vliegen in één klap, heb je maar één maal proceskosten en heb je (waarschijnlijk) één rechter die zich over de verzoeken hoeft te buigen. Kortom; louter voordelen.

Tot voor kort waren rechters er echter niet van overtuigd dat artikel 843a Rv in een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden ‘ingevoegd’. Verzoeken daartoe werden afgewezen en het 843a Rv deel van het verzoek werd op grond van artikel 69 Rv omgezet naar een dagvaardingsprocedure. Standpunt was namelijk dat in artikel 843a Rv expliciet staat ‘vorderen’ (wat duidt op een dagvaardingsprocedure) en dat de wetgever geen afwijking hiervan voor ogen heeft gestaan. Vrij recentelijk oordeelde de rechtbank Amsterdam ook in deze lijn en wees in deze zaak het (samengevoegde) ‘verzoek’ op grond van artikel 843a Rv af.

De rechtbank Amsterdam lijkt nu door haar hof (weliswaar in een andere zaak) te worden gecorrigeerd.

Wat oordeelde het hof?
Het hof oordeelde over bovengenoemde discussie in rechtsoverweging 3.6 als volgt:

Naar het oordeel van het hof moet het om proceseconomische redenen aanvaardbaar worden geacht dat een partij die met het oog op een nog aanhangig te maken geding met betrekking tot hetzelfde onderwerp zowel een voorlopig getuigenverhoor of een voorlopig deskundigenbericht als een bevel tot overlegging van stukken verlangt, die combinatie van gewenste bewijsverrichtingen bij een en hetzelfde procesinleidend stuk en, zoals hier, dus bij verzoekschrift aan de bevoegde rechter voorlegt. Doorgaans, en zo ook in het onderhavige geval, zullen de over te leggen stukken, zoals de rechtbank in de bestreden beslissing ook heeft overwogen, een rol kunnen spelen tijdens de getuigenverhoren. Dit betekent dat ook om die reden niet kan worden gezegd dat de beide verzoeken niet met elkaar verweven zijn, zoals Syngenta stelt. Serieuze nadelen zijn voor de verweerder aan deze gang van zaken niet verbonden. […] Syngenta is door de keuze voor deze route niet in haar belangen geschaad. Integendeel, op die manier zijn haar de kosten van een extra dagvaardingsprocedure bespaard gebleven.”

Het hof haakt daarbij aan bij de overweging van de rechtbank in de zelfde zaak waarin werd overwogen:

Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Hierin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analogisch van toepassing is in verzoekschriftprocedures. Net als in de bepaling van artikel 843a Rv, wordt in deze bepaling de term ‘vorderen’ gebezigd. Blijkens het arrest heeft dit enkele feit niet in de weg gestaan aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. Daarbij is overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet tegen die toepassing verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit laatste eens te meer geldt voor de bepaling van artikel 843a Rv. Waar artikel 223 Rv staat in het deel van Rv dat expliciet handelt over de dagvaardingsprocedure (Boek 1, Titel 2, Afdeling 10), staat artikel 843a Rv niet daarin, maar in de afdeling voor “Enige bijzondere rechtsplegingen” (Boek 3, Titel 7, Afdeling 1), zodat eens te minder reden bestaat aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid uit te sluiten om een vordering ex artikel 843a Rv bij verzoekschrift in te stellen. Het verzoek dient dus thans inhoudelijk beoordeeld te worden.

Conclusie
Volgens het hof verzet de wet zich er niet tegen dat artikel 843a Rv in stelling wordt gebracht in een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit ondanks het woord ‘vorderen’ in de tekst van artikel 843a Rv. Hiermee lijkt een voorschot te worden genomen op de komende wijziging en herziening van het inzagerecht omdat volgens de MvT in de toekomst een verzoek tot inzage mogelijk zal zijn (alhoewel het de vraag is wanneer deze herziening het licht zal zien na de introductie daarvan in 2011).

Of het onderscheid dat in dit artikel is omschreven in de toekomst nog relevant zal zijn is nog maar de vraag. Na invoering van KEI (Kwaliteit en Innovatie Rechtspraak) zal immer iedere procedure (of het nu een dagvaardingsprocedure of een verzoekschriftprocedure is) worden ingeleid met een verzoekschrift.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen