Home > Procesrecht > Kan de rechter een vrijwaringszaak afwikkelen, voordat de uitkomst in de hoofdzaak bekend is?
Kan de rechter een vrijwaringszaak afwikkelen, voordat de uitkomst in de hoofdzaak bekend is?

Kan de rechter een vrijwaringszaak afwikkelen, voordat de uitkomst in de hoofdzaak bekend is?

De wet biedt aan de gedaagde in een rechtszaak de mogelijkheid om een andere partij (een derde) in vrijwaring op te roepen, als gedaagde bijvoorbeeld van mening is dat niet hij maar juist die andere partij aansprakelijk is voor de schade van de eiser. Hiermee kan worden bereikt dat – indien de gedaagde wordt veroordeeld tot het vergoeden van de schade van de eiser – deze schade direct weer kan worden ‘doorgelegd’ naar de partij die in vrijwaring is opgeroepen. In dergelijke situaties wordt naast de hoofdprocedure tussen de eiser en de gedaagde gelijktijdig een procedure gevoerd tussen de gedaagde en de derde partij die in vrijwaring is opgeroepen. Vanwege de samenhang tussen beide procedures worden zij dikwijls gelijktijdig behandeld en beslist, zoals ook in een recent arrest van de Hoge Raad.

Aanleiding geschil
In eerste instantie spitst het geschil zich toe op drie werknemers en het accountants- en belastingadvieskantoor (hierna: kantoor) waarvoor zij allen werkzaam zijn. In 1999 is het kantoor overgegaan van een eindloonpensioenregeling naar een beschikbare-premie-regeling. Om de wijziging mogelijk te maken heeft het kantoor de betreffende werknemers verzocht om daarmee in te stemmen. Alvorens de werknemers een gedegen beslissing daaromtrent konden maken, zijn zij – door de tussenpersoon van het kantoor – geïnformeerd over de Pensioenregeling 1999. Vervolgens zijn de drie werknemers akkoord gegaan met de nieuwe pensioenregeling en is daarbij het opgebouwde pensioen onder de oude regeling overgeheveld naar de nieuwe pensioenregeling.

Naderhand wordt het kantoor aansprakelijk gesteld door deze werknemers, omdat zij schade zouden hebben geleden als gevolg van de overstap naar de nieuwe pensioenregeling. Zij stellen dat het kantoor onvoldoende, en deels onjuiste, informatie heeft verstrekt over de nieuwe regeling en de daaraan verbonden risico’s. De werknemers hebben het kantoor in rechte betrokken en daarbij onder meer vergoeding van de door hen geleden pensioenschade gevorderd.

Procesverloop
Het kantoor besluit om de tussenpersoon in vrijwaring op te roepen. Een begrijpelijke stap, daar niet het kantoor de facto degene is geweest die (mogelijk) onvoldoende dan wel onjuiste informatie heeft verstrekt over de nieuwe pensioenregeling en de daaraan verbonden risico’s, maar juist de ingeschakelde tussenpersoon. In eerste aanleg heeft de kantonrechter in zowel de hoofdzaak alsook de vrijwaringszaak de vorderingen afgewezen.

De werknemers gaan tegen het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep. Het hof heeft daarbij wederom het kantoor toegestaan om de tussenpersoon in vrijwaring op te roepen. Het hof komt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak. In de hoofdzaak wordt het kantoor alsnog veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Het kantoor gaat in cassatie tegen de beslissing van het hof in de hoofdzaak, maar vangt bot bij de Hoge Raad.

Cassatieberoep vrijwaringszaak
In de vrijwaringszaak heeft het hof de tussenpersoon veroordeeld tot betaling aan het kantoor van het bedrag waartoe het kantoor in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. De tussenpersoon stelt tegen deze uitspraak cassatie in bij de Hoge Raad. Samengevat voert de tussenpersoon bij de Hoge Raad aan dat het hof heeft gehandeld in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het beginsel van hoor en wederhoor. Immers, door in de vrijwaringszaak de tussenpersoon reeds te veroordelen, terwijl in de hoofdzaak nog een schadestaatprocedure gevoerd moet worden, wordt de tussenpersoon ernstig in de verweermogelijkheden beperkt. De importantie en het lot van de verweren van de tussenpersoon met betrekking tot de schadevergoeding kunnen namelijk goeddeels afhankelijk zijn van de uitkomst van de schadestaatprocedure in de hoofdzaak.

Hoge Raad
De Hoge Raad overweegt dat het in beginsel de voorkeur geniet om de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gelijktijdig af te doen. Als dit niet mogelijk is, dan ligt het in de rede om eerst de hoofdzaak af te handelen alvorens wordt beslist in de vrijwaringszaak, hetgeen ook volgt uit de wet.

Onder verwijzing naar eerdere arresten (1, 2) voegt de Hoge Raad daaraan toe dat de rechter, in weerwil van het voorgaande en wanneer daartoe aanleiding bestaat, ervoor kan kiezen om in de vrijwaringszaak te beslissen alvorens in de hoofdzaak (eind)uitspraak wordt gedaan. Maar daarbij geldt dan wel dat een vrijwaringszaak in ieder geval nog niet kan worden afgedaan, als de uitkomst daarvan afhangt of redelijkerwijs kan afhangen van de beslissing of het debat in de hoofdzaak.

Langs deze lijnen komt de Hoge Raad in het onderhavige geval tot de conclusie, dat in zowel de hoofdzaak alsook de vrijwaringszaak het debat omtrent de schadevergoeding nog niet voldoende is gevoerd. Het hof heeft de hoofdzaak echter wel naar de schadestaatprocedure verwezen en de vordering in de vrijwaringszaak al toegewezen. Het onwenselijke gevolg daarvan is dat de tussenpersoon geen enkele kans meer heeft om ten aanzien van de schade verweer te voeren in het licht van de specifieke verhouding waarin de tussenpersoon staat tot het kantoor. Immers, dergelijke verweren kunnen niet in de schadestaatprocedure worden gevoerd, omdat deze procedure enkel ziet op de verhouding tussen de drie werknemers en het kantoor.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geschil terug voor verdere behandeling. De definitieve uitkomst zal, gezien de recente datum van het arrest, voorlopig nog op zich laten wachten.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen