Home > Financieel recht > Het Europese Hof van justitie oordeelt over oneerlijke handelspraktijken die plaatsvonden na het sluiten van consumentenovereenkomsten
Het Europese Hof van justitie oordeelt over oneerlijke handelspraktijken die plaatsvonden na het sluiten van consumentenovereenkomsten

Het Europese Hof van justitie oordeelt over oneerlijke handelspraktijken die plaatsvonden na het sluiten van consumentenovereenkomsten

De Nederlandse wet, welke een Europeesrechtelijk oorsprong heeft, bepaalt dat een handelaar oneerlijk handelt jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die in strijd is met de vereiste vakkundigheid en zorgvuldigheid. Volgens de wet valt iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie van een handelaar die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering van een product aan consumenten, onder het begrip “handelspraktijk”. Het begrip dient daarom breed geïnterpreteerd te worden. Indien een handelspraktijk misleidend of agressief is, wordt de handelspraktijk in het bijzonder als oneerlijk aangemerkt.

Recent heeft het Europese Hof van Justitie een arrest gewezen waarbij oneerlijk handelspraktijken van een incassobureau centraal stonden. Dit arrest is bijzonder te noemen omdat het in tegenstelling tot veel andere arresten van het Hof over de richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet gaat over het gedrag vóór het sluiten van de overeenkomst met een consument, maar over het gedrag ter uitvoering daarvan.

Dit arrest kan er toe leiden dat consumentenautoriteiten kritischer zullen kijken naar hetgeen zich af kan spelen na het sluiten van een overeenkomst, bijvoorbeeld een vaststellingsovereenkomst. Indien een consument namelijk (ernstig) tekort wordt gedaan in een dergelijke overeenkomst, kan dit gekwalificeerd worden als een agressieve handelspraktijk. Deze constatering zorgt er vervolgens voor dat de consument niet alleen in aanmerking komt voor een vergoeding van de geleden schade, maar ook dat de gehele vaststellingsovereenkomst vernietigd dient te worden.

Het Gelvora arrest van het Europese hof van Justitie
In deze zaak ging het om een Litouws incassobedrijf, Gelvora, dat met verschillende banken overeenkomsten tot verkoop (en levering) van schuldvorderingen had gesloten. Nadat de schuld was verkocht aan Gelvora, ging zij direct over tot het incasseren van de vorderingen bij de schuldenaars. Soms gebeurde dit parallel met procedures van gedwongen invordering die gerechtsdeurwaarders voerden op basis van definitieve rechterlijke beslissingen (executie traject). Deze praktijk werd door verschillende schuldenaren als agressief ervaren. Dit geschil heeft er uiteindelijk toe geleid dat de nationale rechter aan het Europese Hof de vraag voorlegde of dit soort handelingen ook onder de richtlijn oneerlijke handelspraktijken vielen.

Op 20 juli jl. heeft het Hof bevestigend geoordeeld op de voorgelegde vraag, waarbij het heeft overwogen dat de zinsnede “rechtstreeks verband houdt met […] de verkoop van een product” niet alleen alle maatregelen omvat die in verband met de sluiting van een contract worden genomen, maar ook die welke in verband met de uitvoering daarvan worden genomen.

In het onderhavige geval blijkt dat de aan Gelvora verkochte schuldvorderingen hun oorsprong vinden in het verrichten van een dienst, te weten de verlening van een krediet, waarbij de tegenprestatie bestaat in de terugbetaling van het krediet in termijnen, vermeerderd met rente tegen een vooraf vastgestelde rentevoet. De invorderingsmaatregelen staan daarom in rechtstreeks verband met een “product” in de zin van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Hiermee bevestigt het Hof voor de eerste keer de opvatting van de Commissie dat de activiteiten van invordering van schuldvorderingen beschouwd moeten worden als handelspraktijken na de verkoop.

Tegelijkertijd merkte het Hof op dat deze activiteiten van Gelvora mogelijk op zichzelf beschouwd moeten worden als een “handelspraktijk”, aangezien deze activiteiten de besluitvorming van een consument over de betaling van een product kunnen beïnvloeden.

Het Hof benadrukt verder de onwenselijkheid van het buiten toepassing laten van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken met betrekking tot gedrag van de handelaar na het sluiten van de overeenkomst.

Wat betekent dit arrest voor u?
Dit arrest is in ieder geval van belang voor incassobureaus en gerechtsdeurwaarders. Dit arrest bevestigt namelijk dat deze dienstverleners binnen het bereik van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen.

Dit arrest is bijzonder aangezien het de eerste keer is dat het Hof de zienswijze van verschillende nationale consumentenautoriteiten bevestigt. Het Hof benadrukt in dit arrest namelijk dat een handelaar ook na het sluiten van de overeenkomst moet voldoen aan dezelfde standaarden die gelden vóór het sluiten van de overeenkomst. Hoewel de richtlijn oneerlijke handelspraktijken al aangeeft dat deze ook van toepassing is op het gedrag na het sluiten van een consumentenovereenkomst, is het toch uitzonderlijk dat het Hof zich nu uitlaat over hetgeen zich afspeelt na het sluiten van de overeenkomst. Normaal gesproken speelt bij het vaststellen of sprake is van een oneerlijke handelspraktijk, enkel de vraag of een handeling deel uitmaakt van een commerciële strategie van een ondernemer en dit rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering en de afzet van producten.

Concluderend, dit arrest benadrukt dat een ondernemer zich gedurende de gehele rechtsverhouding met een consument moet houden aan de oneerlijke handelspraktijk bepalingen. Doet hij dit niet dan kan dit ertoe leiden dat de consument niet alleen in aanmerking komt voor een vergoeding van de geleden schade, maar ook dat de gehele overeenkomt vernietigd dient te worden.

Indien u vragen heeft naar aanleiding van dit artikel, neem dan contact op met Sierd Spithoven.

T: +31 (0)26 353 83 10
E: spithoven@dirkzwager.nl

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen