Home > Ondernemingsrecht > Schadevergoeding van je (statutair) bestuurder die in het buitenland woont, weet bij welke rechter je moet zijn
Schadevergoeding van je (statutair) bestuurder die in het buitenland woont, weet bij welke rechter je moet zijn

Schadevergoeding van je (statutair) bestuurder die in het buitenland woont, weet bij welke rechter je moet zijn

Dat juridische procedures zich niet laten weerhouden door landsgrenzen is alom bekend. In de Europese Unie heeft men om die reden in een tweetal verordeningen regelingen vastgelegd over welke rechter in een bepaalde grensoverschrijdende procedure binnen de Europese Unie bevoegd is. Voor alle rechtsvorderingen die vóór 10 januari 2015 zijn ingesteld, geldt de EEX-Verordening (oftewel Brussel I-Verordening). Voor alle rechtsvorderingen die op of na 10 januari 2015 zijn ingesteld, geldt de vernieuwde EEX-herschikkingsverordening (oftewel Brussel Ibis-Verordening).

Casus
Dat een juiste toepassing van de EEX-verordeningen een streep kan trekken door een in de Nederlandse rechtspraak gangbare aanpak, blijkt uit de procedure tussen bestuurder Spies en de Nederlandse vennootschap Holterman Ferho Exploitatie B.V. (hierna: “Holterman”). De casus was als volgt. Spies, die in Duitsland woonachtig is, was in 2001 als directeur/ bestuurder in dienst getreden bij de in Markelo gevestigde Holterman. Daarnaast hield Spies 15% van de aandelen in Holterman. De rechtspositie van een bestuurder van een vennootschap zoals Spies is een dergelijk geval doorgaans tweeledig. De bestuurder heeft een vennootschapsrechtelijke (ook wel: functionele) en tevens een contractuele relatie met de vennootschap op basis van een arbeidsovereenkomst of zoals ik in mijn artikel van 15 mei 2017  uiteenzette op basis van een managementovereenkomst. In 2006 kwam een einde aan de relatie tussen Spies en Holterman. Omdat Holterman zich op het standpunt stelde dat Spies in de uitoefening van zijn functie ernstige fouten had gemaakt, daagde Holterman Spies voor de rechtbank Almelo teneinde schadevergoeding te verkrijgen. Holterman ging voor meerdere ankers liggen door haar vordering primair te baseren op bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW), subsidiair op werknemersaansprakelijkheid en derhalve schending van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:661 BW) en meer subsidiair op onrechtmatige daad (6:162 BW).

Bij dergelijke procedures is in de Nederlandse rechtspraak de opvatting dat een rechtsvordering op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:9 BW van een Nederlandse vennootschap tegen haar bestuurder kan worden aangemerkt als een rechtsvordering op grond van een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 onder 1 EEX-Verordening (en artikel 7 onder 1 EEX-herschikkingsvordering). Bij een beroep op deze artikelen is ongeacht de vraag welke rechter bevoegd is kennis te nemen van vorderingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, naast de rechter van de woonplaats van de bestuurder steeds alternatief bevoegd de rechter van de plaats waar de bestuurder zijn verbintenis tot behoorlijke taakvervulling dient uit te voeren, dus in beginsel de rechter van de plaats waar de vennootschap is gevestigd. De vennootschap heeft in de Nederlandse aanpak bij een in het buitenland wonende bestuurder dus de keuze voor de rechter van twee verschillende landen.

Exceptie van onbevoegdheid
Ondanks deze in Nederland bekende aanpak, stelt Spies zich op grond van de in deze zaak nog toepasselijke EEX-Verordening op het standpunt dat de rechtbank Almelo, en de Nederlandse rechter in het algemeen, onbevoegd zijn om van de vorderingen van Holterman kennis te nemen omdat hij in Duitsland woonachtig is.

Tot aan de Hoge Raad, de hoogste gerechtelijke instantie in Nederland, wordt over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter geprocedeerd. De Hoge Raad stelt vervolgens prejudiciële vragen aan de hoogte rechter van de Europese Unie, het Hof van Justitie, om een en ander verduidelijkt te krijgen. De voornaamste vraag van de Hoge Raad luidt of in een geval als het onderhavige, waarin de bestuurder niet alleen wordt aangesproken op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatige daad, maar ook als werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst artikel 5 onderdeel 1 EEX-Verordening en artikel 7 onderdeel 1 EEX-herschikkingsverordening van toepassing zijn. Dit omdat de EEX-verordeningen voor vorderingen die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten een speciale regeling (artikel 18-21 EEX-Verordening en artikel 20-23 EEX-herschkkingsverordening) kennen die inhoudt dat een werkgever uitsluitend een vordering tegen zijn werknemer kan instellen voor de rechter van de woonplaats van de werknemer.

Hof van Justitie
Het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad op 10 september 2015 geantwoord en daarbij allereerst overwogen dat de speciale regeling in de EEX-verordeningen omtrent arbeidsovereenkomsten slechts van toepassing is, indien Spies als werknemer door een individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst in de zin van de EEX-verordeningen gebonden is geweest aan Holterman.

Voor het antwoord op deze vraag moet volgens het Hof van Justitie een autonome uitleg van de begrippen ‘individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst’ en ‘werknemer’ worden gehanteerd. Irrelevant is de uitleg die in het nationale toepasselijke recht aan het begrip arbeidsovereenkomst wordt gegeven. Slechts de autonome Europese uitleg van ‘arbeidsovereenkomst’ leidt tot toepasselijkheid van de speciale regeling omtrent verbintenissen uit arbeidsovereenkomst. Om vast te stellen of op basis van de Europese uitleg van een arbeidsovereenkomst kan worden gesproken, moet worden geverifieerd of de betreffende persoon gedurende een bepaalde tijd voor en onder gezag van de vennootschap voor een ander onder diens gezag prestaties heeft verricht tegen beloning.

Concreet betekent dit dat het Hof van Justitie de Nederlandse rechter heeft opgedragen te verifiëren of Spies als directeur en bestuurder van Holterman gedurende bepaalde tijd voor en onder het gezag van Holterman prestaties heeft verricht tegen beloning, en of daarbij sprake was van een duurzame band waardoor Spies een bepaalde plaats in het bedrijf van Holterman heeft ingenomen. Voor de vraag of er ‘voor en onder het gezag van’ de vennootschap is gehandeld, geeft het Hof van Justitie aan dat in geval als het onderhavige waarin bestuurder Spies teven aandeelhouder van Holterman was, de omvang van het aandelenkapitaal een rol kan spelen.

Mocht de nationale rechter op grond van de autonome interpretatie oordelen dat de betreffende persoon waartegen de vordering wordt ingesteld als werknemer door een individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst in de zin van de EEX-verordeningen gebonden is geweest aan de vennootschap, geldt dat uitsluitend de speciale bevoegdheidsregels van artikel 18-21 EEX-Verordening en artikel 20-23 EEX-herschikkingsverordening van toepassing zijn. Ook indien de vordering mede dan wel primair wordt gebaseerd op grond van bestuurdersaansprakelijkheid dan wel op grond van onrechtmatige daad en de EEX-verordeningen voor deze vorderingen een andere bevoegde rechter aanwijzen.

Hoewel het Hof van Justitie nog meer vragen van de Hoge Raad heeft beantwoord, is voorgaande overweging het meeste een eyeopener voor de Nederlandse rechtspraktijk. Met de overwegingen van het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad op 3 februari 2017 eindarrest gewezen in de procedure tussen Spies en Holterman.

De Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt in zijn eindarrest dat in het geval van Spies sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de EEX-Verordeningen. Omstandigheden die de Hoge Raad daarbij meeweegt is: (i) dat de relevante arbeidsovereenkomst in het geding is gebracht, (ii) dat hieruit blijkt dat afspraken zijn gemaakt over salaris, tantième en vakantiedagen, (iii) het feit dat is komen vast te staan dat het Spies niet was toegestaan andere betaalde nevenwerkzaamheden te verrichten en (iv) dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat Spies zich dient te richten naar de schriftelijke aanwijzingen van de algemene vergadering van aandeelhouders. Omdat Spies ‘slechts’ een 15%-aandelenbelang bezat, oordeelde de Hoge Raad dat Spies voor het merendeel afhankelijk was van de aanwijzingen van andere aandeelhouders en er van een ondergeschiktheidsrelatie kon worden gesproken. Hoewel de Hoge Raad hier niet op in gaat, leid ik uit deze overweging af dat een ondergeschiktheidsrelatie had ontbroken als Spies DGA was geweest van Holterman.

De conclusie van de Hoge Raad was -in lijn met de uitspraak van het Hof van Justitie- dat nu sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van de EEX-verordeningen, uitsluitend de Duitse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. De onbevoegdheidsexceptie was dus terecht door Spies opgeworpen en de gangbare Nederlandse aanpak waarbij de vennootschap een keuze had, hield geen stand.

De lering
Voornoemd arrest laat zien dat oplettendheid geboden is indien een vennootschap zijn bestuurder wil aanspreken, die woonachtig is in het buitenland. Laat in dergelijke gevallen voordat een vordering bij de Nederlandse rechter wordt ingesteld altijd een jurist met kennis van het internationaal privaatrecht beoordelen of de Nederlandse rechter in een concreet geval wel bevoegd is of dat in het land van de bestuurder geprocedeerd moet worden.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen