Home > Algemeen > Toezicht op rechtspersonen
Toezicht op rechtspersonen

Toezicht op rechtspersonen

Zonder dat u er wellicht iets van merkt, voert de overheid sinds 2011 doorlopend toezicht uit op alle binnenlandse rechtspersonen en op buitenlandse rechtspersonen met een hoofd- of nevenvestiging in Nederland. Dit is niet altijd het geval geweest. De ontwikkeling van het toezicht op rechtspersonen en de huidige uitvoering daarvan staan centraal in dit artikel.

Het toezicht op rechtspersonen bestond vanaf 1928 uit een door de minister van Justitie af te geven verklaring van geen bezwaar die zag op (i) de inhoud van de oprichtingsakte (met name de statuten) en vanaf 1971 tevens op (ii) de voornemens of antecedenten van de personen die het beleid (mede) zouden bepalen.[1] De Wet herziening preventief toezicht leidde in 2001 tot een beperking van dit toezicht. De controle van de akte door het ministerie kwam door deze wet te vervallen en werd overgelaten aan het notariaat. Alleen het onderzoek naar de voornemens en antecedenten van de bij de oprichting betrokken natuurlijke en rechtspersonen (de misbruiktoets) bleef in stand.[2] Die regeling bleek echter eenvoudig te omzeilen.[3] Daarom verving de wetgever deze regeling in 2011 met de invoering van de Wet controle op rechtspersonen (WCR)[4] door een regeling van doorlopend toezicht, uitgevoerd door Dienst Justis.[5]

Het doel van het doorlopend toezicht is voorkomen en aanpakken van fraude met en misbruik van rechtspersonen en het vergemakkelijken van opsporing daarvan. Het doorlopend toezicht vindt zoveel mogelijk automatisch plaats, aan de hand van levensloopmomenten van de rechtspersoon die wijziging brengen in de bekende gegevens.[6] Voorbeelden van zulke levensloopmomenten zijn de in- en uitschrijving van bestuurders, het overdragen van aandelen en fusie, splitsing en ontbinding van een vennootschap. Bij een wijziging bekijkt het RADAR-computersysteem automatisch of, op basis van strafrechtelijke en faillissementsmeldingen, sprake is van een fraude- of misbruikrisico. Dienst Justis pakt een eventuele melding op en breidt het onderzoek, indien daartoe aanleiding bestaat, uit met behulp van gegevens van de belastingdienst en de politie. [7]

Op deze manier zou het systeem fraude en misbruik zoveel mogelijk moeten voorkomen, of in elk geval tijdig moeten signaleren. Deze vorm van doorlopend toezicht zorgt ervoor dat fraude met en misbruik van rechtspersonen actief wordt bestreden, op een wijze die (vrijwel) geen hinder oplevert voor de goedbedoelende ondernemer.

 

 

[1] Asser/Maeijer 2-III 2000/61 en Van Schilfgaarde, ‘De medebeleidsbepaler in het ondernemingsrecht’, in: Willems’ wegen. Opstellen aangeboden aan prof. Mr. J.H.M. Willems, serie vanwege het Van der Heijden instituut, dl. 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 321-324, p. 322.

[2] Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/54.

[3] Van Schilfgaarde, Winter & Wezeman. Van de BV en de NV, 2013, p. 54.

[4] Wet van 8 mei 2003, per 1 juli 2011 ingevoerd bij de Wet van 7 juli 2010, Stb. 2010, 280.

[5] Dienst Justis, Evaluatie Wet Controle op Rechtspersonen Een verslag over doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk, 11 november 2013, p. 6-8 (geraadpleegd via: http://www.dzw.gr/7ccd5).

[6] Nethe, WPNR 2009/6819, p. 910-914, p. 910-911.

[7] Rapport Dienst Justis, 2013, p. 6-14.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen