Home > Ondernemingsrecht > Rechterlijke machtiging bij omzetting kerkgenootschap.
Rechterlijke machtiging bij omzetting kerkgenootschap.

Rechterlijke machtiging bij omzetting kerkgenootschap.

Medio november heb ik u bericht over de omzetting van een kerkgenootschap in een stichting. In het artikel komt naar voren dat de Rechtbank Amsterdam (de “Rechtbank”) in dit kader prejudiciële vragen heeft gesteld. Recentelijk heeft de Hoge Raad deze prejudiciële vragen beantwoord. In dit artikel ga ik hier nader op in en zet ik de belangrijkste punten op een rij.

In casu
Ter opfrissing van het geheugen:
In deze zaak (ECLI:NL:RBAMS:2016:6699 en ECLI:NL:HR:2017:771) gaat het om de omzetting van de Nederlands-Israëlitische Instelling voor Sociale Arbeid (de “NIISA”), een onderdeel van het kerkgenootschap Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam. De NIISA heeft zich voor de omzetting tot de rechtbank gewend, daar voor de omzetting in een stichting een rechterlijke machtiging is vereist op grond van artikel 2:18 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De Rechtbank stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad omdat er geen eenduidig antwoord lijkt te bestaan over de toepassing van artikel 2:18 BW bij kerkgenootschappen. Het is de Rechtbank dus onduidelijk of zij een dergelijke omzetting aan artikel 2:18 BW kan (en moet) toetsen. Voorts gaf de Rechtbank aan dat zij het onduidelijk vond hoe ver een (eventuele) toetsing dient te strekken.

Beantwoording prejudiciële vragen
1. Toepasbaarheid artikel 2:18 BW
Allereerst geeft de Hoge Raad aan dat artikel 2:18 BW niet rechtstreeks van toepassing is bij een omzetting van of in een kerkgenootschap. Artikel 2:18 valt namelijk onder de Algemene Bepalingen van Titel 1 van Boek 2, die niet van toepassing zijn op een kerkgenootschap (met uitzondering van artikel 2:2 BW en artikel 2:5 BW). Toch vindt de Hoge Raad een ‘escape’: artikel 2:2 BW bepaalt namelijk dat de bepalingen overeenkomstig kunnen worden toegepast, voor zover dit te verenigen is met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen. De Hoge Raad koppelt dit vervolgens aan de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen: kerkgenootschappen zijn vrij zich te verenigen en activiteiten te ontplooien, en dus zijn zij ook vrij om te kiezen door middel van welke rechtsvorm zij dit doen. Een omzetting is mogelijk, zolang de omzetting te verenigen is met het statuut en de aard der onderlinge verhoudingen.

Ten slotte resteert de vraag voor welke situatie de overeenkomstige toepassing zich leent. De twee situaties die worden onderscheiden zijn: (i) de omzetting van een kerkgenootschap en (ii) de omzetting in een kerkgenootschap. De Hoge Raad concludeert dat artikel 2:18 BW in beide gevallen overeenkomstig kan worden toegepast: dus zowel een omzetting van een kerkgenootschap als een omzetting in een kerkgenootschap.

2. Fusie en splitsing
Bovendien merkt de Hoge Raad op dat deze inrichtingsvrijheid ook ten grondslag ligt aan fusies en splitsingen van kerkgenootschappen. De Hoge Raad bevestigt mijns inziens hier expliciet mee dat een fusie of splitsing óók mogelijk is bij een kerkgenootschap (met inachtneming van de bepalingen van Titel 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek). Dit leek in de praktijk overigens al te zijn aanvaard.

3. Reikwijdte rechterlijke toetsing
De rechter zal allereerst moeten bepalen of de overeenkomstige toepassing van artikel 2:18 BW wel te verenigen is met het statuut en de aard der onderlinge verhouding. Indien dit niet het geval is, zal de rechter de overeenkomstige toepassing moeten weigeren.

Pas als de overeenkomstige toepassing wél te verenigen is met het statuut en de aard der onderlinge verhoudingen, kan de rechter verder gaan met de toetsing. De Hoge Raad geeft hierbij een aantal kaders die (onder meer) van belang zijn bij de toetsing. Hieronder zet ik een aantal belangrijke punten uiteen.

a. Besluitvorming
Voor een omzetting zal zowel besloten moeten worden omzetting, als tot statutenwijziging. Als één van deze twee besluiten nietig is, of als er een rechtsvordering tot vernietiging van het besluit aanhangig is, zal de rechter de machtiging moeten weigeren.

Bij de omzetting van een stichting in een kerkgenootschap zal de rechter de besluitvorming moeten toetsen aan de statuten van de stichting. Bij de omzetting van een kerkgenootschap in een stichting zal de rechter de besluitvorming moeten toetsen aan het kerkelijk statuut.

b. Geloofskwesties
Geloofskwesties kunnen een lastig punt vormen voor een rechter. De rechter zal enige inmenging zoveel mogelijk willen en moeten vermijden. Soms zal de rechter er echter niet aan ontkomen om zich hier tóch over uit te laten. De Hoge Raad geeft aan dat dit bijvoorbeeld het geval kan zijn als een geloofskwestie wordt aangevoerd als bezwaar tegen de omzetting. Om het bezwaar te toetsen, zal de rechter zich dan wel in een geloofskwestie moeten mengen. Als de rechter de formaliteiten toetst, bijvoorbeeld rond de besluitvorming, is van inmenging overigens geen sprake.

c. Vermogensklem
Als een stichting wordt omgezet in een andere rechtsvorm, zal in de statuten moeten worden opgenomen dat het oude stichtingsvermogen (en de vruchten daarvan) slechts met toestemming van de rechter ander zal mogen worden besteed dan vóór de omzetting. Dit is de zogenaamde vermogensklem: het stichtingsvermogen mag in beginsel niet anders worden besteed dan voorheen. De Hoge Raad geeft aan dat deze vermogensklem ook moet worden opgenomen als een stichting wordt omgezet in een kerkgenootschap, dit zal in het statuut van het kerkgenootschap moeten worden opgenomen.

Rol notaris
De Hoge Raad bepaalt ten slotte (wellicht ten overvloede) nog dat artikel 2:18 BW niet overeenkomstig hoeft te worden toegepast bij de omzetting van een vereniging in een kerkgenootschap of  een kerkgenootschap in een vereniging. De Hoge Raad legt een zorgplicht hier bij de notaris. De notaris zal in een dergelijk geval de formaliteiten moeten nagaan en moeten bezien of er een afdoende belangenafweging heeft plaatsgevonden. Ook zal de notaris kunnen beoordelen of (alsnog) een rechterlijke machtiging vereist is.

Conclusie
Met dit arrest geeft de Hoge Raad duidelijkheid op de vragen rond de toepassing van artikel 2:18 BW bij kerkgenootschappen. Bovendien schetst de Hoge Raad een duidelijk toetsingskader voor de rechter.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen