Home > Ondernemingsrecht > Bevoegde rechter bij beëindiging mondeling overeengekomen distributieovereenkomst?
Bevoegde rechter bij beëindiging mondeling overeengekomen distributieovereenkomst?

Bevoegde rechter bij beëindiging mondeling overeengekomen distributieovereenkomst?

Een Franse partij distribueert ruim 25 jaar lang Italiaanse levensmiddelen in Frankrijk ten behoeve van een Italiaanse leverancier. Partijen hebben hun afspraken nooit in een (schriftelijke) distributieovereenkomst vastgelegd en zijn ook geen exclusiviteit (afspraak dat de distributeur in een bepaald gebied exclusief de producten van de leverancier mag verkopen) overeengekomen. De Italiaanse leverancier zegt vrij plotseling de distributieovereenkomst op. Zij wil namelijk gaan samenwerken met een andere Franse distributeur. De huidige Franse distributeur is het hier duidelijk mee oneens en stelt dat sprake is van een abrupte verbreking van een vaste handelsbetrekking zonder inachtneming van een minimale opzegtermijn. Om deze reden stelt de Franse distributeur een schadevordering in bij de Franse rechtbank. Maar op basis waarvan dient de Franse distributeur haar vordering tot schadevergoeding te baseren? Op grond van een overeenkomst die niet schriftelijk is vastgelegd of op grond van onrechtmatige daad?

Is de grondslag in deze zaak van belang?
De grondslag van de vordering in deze zaak maakt uit welke rechter (Italiaanse of Franse) bevoegd is over deze vordering te beslissen. In deze zaak gaat de Franse distributeur naar de Franse rechter die zich in deze zaak ook bevoegd verklaart. De Italiaanse partij stelt echter hoger beroep in en betwist de bevoegdheid van de Franse rechter. Aangezien het een geschil is tussen een Italiaanse en een Franse partij, is het Europese Unierecht van toepassing. Aan de hand van artikel 5 van de Brussel I-Verordening moet worden beoordeeld welke rechter bevoegd is. De Franse rechter behoeft in deze zaak uitleg van dit artikel en stelt daarvoor twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het gaat daarbij specifiek om artikel 5 punt 1 en 3 van de Brussel I-Verordening. Punt 1 en 3 luiden als volgt:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

Punt 1.
a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt: – voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden; – voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

Punt 3. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.”

Eerste prejudiciële vraag
De eerste vraag die de Franse rechter aan het Hof stelt is of artikel 5 punt 3 van de Brussel I-Verordening zo moet worden uitgelegd dat de schadevordering van de Franse distributeur (die gebaseerd is op een abrupte verbreking van een jarenlange handelsbetrekking) moet worden gekwalificeerd als een vordering uit onrechtmatige daad. De Franse distributeur is, evenals de Franse rechter, van oordeel dat daarvan sprake is. Zo zou er volgens het Frans wetboek van koophandel recht op schadevergoeding ontstaan indien een vaste handelsbetrekking abrupt wordt verbroken zonder inachtneming van een opzegtermijn die rekening houdt met de duur van de handelsbetrekking. Op grond van artikel 5 punt 3 van de Brussel I-Verordening zou dan de Franse rechter bevoegd zijn, aangezien het schadebrengende feit zich zou hebben voorgedaan in Frankrijk.

De Italiaanse leverancier stelt zich daarentegen op het standpunt dat sprake is van een (distributie)overeenkomst tussen partijen, waardoor de vordering van de Franse distributeur als verbintenis uit overeenkomst zou moeten worden aangemerkt. Hierdoor zou op grond van artikel 5 punt 1 onder b van de Brussel I-Verordening de Italiaanse rechter bevoegd zijn, aangezien Bologna (Italië) de plaats is waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of hadden moeten worden.

Wanneer is sprake van een overeenkomst?
Volgens het Hof van Justitie is artikel 5 punt 1 slechts van toepassing indien er sprake is van een verbintenis uit overeenkomst. Zo’n verbintenis hoeft niet per se schriftelijk te zijn vastgelegd. Dat kan ook stilzwijgend. Het Hof van Justitie overweegt daarom dat het aan de nationale rechter (in deze zaak de Franse rechter) is om na te gaan of het in de specifieke omstandigheden van de zaak zo is dat de jarenlange handelsbetrekking tussen partijen werd gekenmerkt door stilzwijgend overeengekomen verplichtingen. Zo’n stilzwijgende (contractuele) verhouding moet wel worden aangetoond door een aantal onderlinge samenhangende factoren waarbij met name sprake kan zijn van jarenlange handelsbetrekkingen, de goede trouw tussen partijen, de regelmatigheid van transacties en hun ontwikkeling in de loop van de tijd in termen van hoeveelheid en waarde, de mogelijke afspraken over de in rekening gebrachte prijzen en/of verleende kortingen en de gevoerde correspondentie.

Tweede prejudiciële vraag
In deze zaak kwam de vraag bij de Franse rechter naar voren op welke wijze de jarenlange handelsbetrekking tussen partijen uitgelegd moest worden, indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag zou zijn dat sprake is van een overeenkomst. Behoort dit te worden uitgelegd als ‘overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken’ in de zin van artikel 5 punt 1, onder b eerste streepje of als ‘overeenkomst tot verstrekking van diensten’ in de zin van artikel 5 punt 1, onder b tweede streepje?

Indien de kenmerkende verbintenis van de betrokken overeenkomst de levering van een goed is, is sprake van een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende en lichamelijke zaken, aldus het Hof van Justitie. Een voorbeeld hiervan is een jarenlange handelsbetrekking tussen twee ondernemers waarvan de verhouding niet verder gaat dan het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten die elk het leveren en afhalen van goederen tot voorwerp hebben.

In het geval dat de verbintenis een dienstverrichting is, kan worden gesproken van een overeenkomst tot verstrekking van diensten. Daarbij merkt het Hof van Justitie op dat het begrip ‘diensten’ op zijn minst inhoudt dat de partij die ze verstrekt, een bepaalde activiteit verricht tegen een vergoeding. Een klassieke distributieovereenkomst (raamovereenkomst met als voorwerp een levering- en afnameverplichting die twee ondernemers voor de toekomst aangaan) zou volgens het Hof van Justitie als zo’n overeenkomst kunnen kwalificeren.

Overigens was het aan de verwijzende (nationale) rechter om te oordelen of de verbintenis een dienstverrichting is. In deze zaak behoorde de Franse rechter volgens het Hof van Justitie alle omstandigheden en aspecten te beoordelen die kenmerkend waren voor de door de Franse distributeur in Frankrijk verrichte activiteiten om de producten van de Italiaanse partij op de markt van deze lidstaat te verkopen.

Conclusie
Indien partijen in een stilzwijgend overeengekomen contractuele verhouding tot elkaar staan, kan een schadevordering die is gebaseerd op een abrupte verbreking van een jarenlange handelsbetrekking worden aangemerkt als een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 punt 1 van de Brussel I-Verordening en (dus) niet als een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5 punt 3. Óf sprake is van een stilzwijgende contractuele verhouding, is aan de verwijzende (nationale) rechter. In onderhavige zaak is het volgens het Hof van Justitie aan de Franse rechter om te oordelen of al dan niet sprake is van een stilzwijgende contractuele verhouding.

Normaliter leggen twee partijen die gevestigd zijn in twee verschillende lidstaten in een overeenkomst vast welke rechter bevoegd is bij een mogelijk geschil. Mocht een dergelijke bepaling niet zijn opgesteld, dan zal de rechter kijken of er überhaupt een schriftelijke overeenkomst bestaat. Is dat niet het geval, dan zal een rechter aan de hand van eerder genoemde factoren uit de besproken uitspraak moeten oordelen of er – ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst – tóch sprake is van een contractuele verhouding. Mocht het bestaan van een contractuele verhouding in het voordeel zijn van een bepaalde partij, bijvoorbeeld omdat een rechter in een bepaalde lidstaat volgens de Brussel I-Verordening dan bevoegd is, dan is het (dus) raadzaam dit schriftelijk vast te leggen.

Mocht een jarenlange handelsbetrekking tussen partijen gekwalificeerd worden als overeenkomst, dan is het vervolgens ook aan de verwijzende rechter om te oordelen op welke wijze deze handelsbetrekking tussen partijen uitgelegd moet worden. In de regel wordt een klassieke distributieovereenkomst als een overeenkomst tot verstrekking van diensten aangemerkt.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen