U bent hier: Home > Ondernemingsrecht > Opschortingsrecht van een koper van aandelen
Opschortingsrecht van een koper van aandelen

Opschortingsrecht van een koper van aandelen

De Hoge Raad heeft op 3 februari 2017 een arrest gewezen waarbij de Hoge Raad zich heeft gebogen over de vraag of een koper van aandelen zich terecht had beroepen op een opschortingsrecht. Wat is er gebeurd? Begin 2008 wordt door Verkoper aandelen geleverd in het kapitaal van een Vennootschap aan Koper. De Vennootschap was eigenaar van een gebouw aan de Keizersgracht in Amsterdam. Aan de levering van de aandelen lag een koopovereenkomst ten grondslag. In de koopovereenkomst was afgesproken dat de koopprijs in drie tranches zou worden betaald. Het eerste deel zou worden betaald bij levering van de aandelen, hetgeen ook is gebeurd. In de koopovereenkomst was een artikel opgenomen die bepaalde dat indien de Koper een Vordering zou indienen bij de Verkoper, Koper het recht zou hebben de betaling van de tweede en derde tranche op te schorten. Bovendien was in de koopovereenkomst een zogenoemde vrijwaring afgegeven door Verkoper aan Koper inhoudende dat eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting door de Verkoper zou worden betaald. Eind 2008 wordt Koper door de belastingdienst een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. De Koper informeert de Verkoper over deze naheffingsaanslag die zich kwalificeert als een Vordering zoals genoemd in de Koopovereenkomst. De Koper was op dat moment nog de tweede en derde tranche van de koopprijs verschuldigd en beroept zich dan ook op zijn opschortingsrecht.

De Koper tekent bezwaar en beroep aan tegen de naheffingsaanslag van de belastingdienst, hetgeen er in 2011 toe heeft geleid dat de naheffingsaanslag wordt vernietigd. Vernietiging van de naheffingsaanslag heeft tot gevolg dat de genoemde vordering nooit heeft bestaan en hierdoor rijst de vraag of de Koper zich wel met recht mocht beroepen op zijn opschortingsrecht. De Verkoper vindt van niet en stelt dat de Koper in verzuim is ten aanzien van de tijdige betaling van de tweede en derde tranche van de koopprijs en vordert wettelijke (handels)rente, alsmede een boete die in de koopovereenkomst was overeengekomen voor het geval een der partijen tekort zou schieten. Zowel de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad zijn een andere mening toegedaan. Zij beslissen dat de Koper zich wel degelijk mocht beroepen op zijn opschortingsrecht. Volgens de Hoge Raad is er geen sprake van verzuim aan de zijde van de Koper. Verzuim veronderstelt immers een tekortschieten en hiervan is volgens de Hoge Raad geen sprake. Daarbij neemt de Hoge Raad in overweging dat het hier ging om een vordering van een derde (de belastingdienst), waarvan het risico tot betaling materieel lag bij de Verkoper (op grond van de afgegeven vrijwaring). Het risico dat achteraf blijkt dat ten onrechte een beroep is gedaan op een opschortingsrecht, komt volgens de Hoge Raad hierdoor voor rekening van de Verkoper. Graag merk ik op dat nog verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2007, NJ 2009/50 (Ammerlaan/Enthoven) waar de uitkomst een andere was. Daarin werd bepaald dat opschorten mag, ook indien de tegenvordering nog niet vast staat. Echter, blijkt later dat de tegenvordering niet bestaat of geringer is, dan raakt diegene die zich heeft beroepen op opschorting terstond in verzuim. In het onderhavige geval week de Hoge Raad hier dus van af. Een en ander gebaseerd op de uitleg van de koopovereenkomst en de redelijkheid en billijkheid zoals vastgelegd in artikel 6:248 BW.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen