U bent hier: Home > Algemeen > Valt ondernemingswinst onder definitie inkomen in huwelijksvoorwaarden?
Valt ondernemingswinst onder definitie inkomen in huwelijksvoorwaarden?

Valt ondernemingswinst onder definitie inkomen in huwelijksvoorwaarden?

In veel huwelijksvoorwaarden is een periodiek verrekenbeding opgenomen, waarbij de echtelieden afspreken dat het overgespaarde inkomen jaarlijks zal worden verrekend. Maar wat wordt er verstaan onder het begrip inkomen? Het is van essentieel belang om dit in de huwelijksvoorwaarden goed te definiëren om ongewenste gevolgen te voorkomen. Recent lag de navolgende casus voor aan de Hoge Raad.

Casus
Als inkomensbegrip was in de huwelijksvoorwaarden opgenomen ‘inkomsten uit arbeid, waaronder mede begrepen winst uit onderneming, alsmede uitkeringen die geacht worden voor inkomsten uit arbeid of winst uit onderneming in de plaats te treden, zoals sociale-verzekeringsuitkeringen en pensioenen.’ De man is bestuurder van een Stichting Administratiekantoor (hierna: STAK), welke STAK enig aandeelhouder is van een B.V. met deelnemingen. Partijen strijden na de echtscheiding over de vraag of de in de onderneming opgepotte winst op grond van art. 1:141 lid 4 BW in de verrekening moet worden betrokken. Volgens de man komen alleen inkomsten uit arbeid voor verrekening in aanmerking.

Beslissing
Het hof heeft geoordeeld dat de man met zijn stelling, dat volgens de huwelijkse voorwaarden slechts inkomsten uit arbeid voor verrekening in aanmerking komen, er aan voorbij ziet dat onder het kopje ‘Begripsbepalingen’ in de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat onder inkomsten uit arbeid mede wordt begrepen winst uit onderneming. Opgepotte winsten behoren derhalve tot het te verrekenen vermogen, aldus het hof.

De Hoge Raad doet de zaak vervolgens af op grond van art. 81 RO (indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel).

Nuancering
Het oordeel van het hof ligt voor de hand, maar de wenk onder de uitspraak merkt op dat het aanzienlijk genuanceerder ligt. Indien partijen strijden over een bepaling in de tekst van huwelijksvoorwaarden, dan zal dit uitgelegd moeten worden aan de hand van het Haviltex-criterium. Daarbij komt het – kort gezegd – neer op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie HR 13 maart 1981, NJ 1981/635). De vraag of een verrekenbeding in een akte van huwelijkse voorwaarden ook ‘ondernemingswinsten’ omvat in de zin van art. 1:141 lid 4 BW is een vraag van uitleg van het in de akte van huwelijkse voorwaarden opgenomen inkomstenbegrip. Wanneer bij deze uitleg de fiscale betekenis van het begrip ‘winst uit onderneming’ tot uitgangspunt wordt genomen, dan betreft het de winst die een belastingplichtige als ondernemer geniet uit een onderneming, die voor zijn rekening wordt gedreven (thans art. 3.2 Wet IB 2001 en voorheen art. 6 Wet IB 1964). Dit betreft dus de winst van een eenmanszaak of een maatschap/personenvennootschap, maar niet de winst van een B.V of N.V. Verwijst de tekst van een akte van huwelijkse voorwaarden naar het begrip ‘winst uit onderneming’, dan is daarmee dus zeker niet gezegd dat ondernemingswinst van een rechtspersoon in de zin van art. 1:141 lid 4 BW in de verrekening betrokken dient te worden. Het oordeel van het hof in onderhavige zaak, dat onder het kopje ‘Begripsbepalingen’ in de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat onder inkomsten uit arbeid mede wordt begrepen winst uit onderneming en dat dus opgepotte winsten tot het te verrekenen vermogen behoren, lijkt hiermee wel erg kort door de bocht.

Toch ziet de Hoge Raad geen reden om dit oordeel van het hof te vernietigen. De reden hiervan is naar alle waarschijnlijkheid – zo blijkt uit de conclusie van de A-G – dat in de processtukken van de feitelijke instanties (kennelijk) niet naar voren is gebracht dat in de akte van huwelijkse voorwaarden van partijen met het begrip ‘winst uit onderneming’ is gerefereerd aan het fiscale begrip winst uit onderneming, waaronder dus niet de winst van een besloten vennootschap is begrepen. Het hof behoefde dit argument dan ook niet bij zijn uitleg van de akte van huwelijkse voorwaarden te betrekken. Daarom kon het hof in dit geval tot het oordeel komen dat met het begrip ‘winst uit onderneming’ ook bedoeld werd de in de B.V. opgepotte ondernemingswinsten te verrekenen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen