Home > Ondernemingsrecht > Contracteren met het Verenigd-Koninkrijk: hoe te anticiperen op de verwachte Brexit
Contracteren met het Verenigd-Koninkrijk: hoe te anticiperen op de verwachte Brexit

Contracteren met het Verenigd-Koninkrijk: hoe te anticiperen op de verwachte Brexit

Op 23 juni jl. werd een door het Britse parlement georganiseerd raadgevend referendum gehouden over het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk. Met een meerderheid van 51,9% van de stemmen koos het Britse volk ervoor de Europese Unie te verlaten. Een Brexit zal (juridische) gevolgen hebben voor ondernemers die contracteren met ondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk gevestigd zijn. In dit artikel zal ik ingaan op de gevolgen van de Brexit voor het op een overeenkomst met een Britse wederpartij toepasselijke recht. Hoewel het vanwege de formele spelregels, die gelden bij uittreding uit de Europese Unie en dan met name de zogenoemde artikel 50 procedure nog wel een tijd gaat duren voordat het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijk de Europese Unie gaat verlaten, is het voor ondernemers die met ondernemingen in het Verenigd-Koninkrijk contracteren verstandig nu al op dit gevolg van de Brexit te anticiperen.

Rome I-verordening
Binnen de Europese Unie bepaalt verordening EG (nr. 593/2008) inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (in de volksmond en hierna aangeduid als: de ‘Rome I-verordening’) het op een internationale overeenkomst toepasselijke recht. De Rome I- verordening stelt voorop dat in beginsel het recht van het land dat partijen gekozen hebben op de overeenkomst van toepassing is. Voor de situatie dat geen rechtskeuze wordt gemaakt heeft de Rome I-verordening bovendien objectieve verwijzingsregels vastgelegd aan de hand waarvan het toepasselijke recht moet worden vastgesteld. Zo bepaalt de Rome I-verordening bijvoorbeeld dat een overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft en dat de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft.

Mochten partijen verzuimen een rechtskeuze in de overeenkomst op te nemen, kan nu dan ook nog gemakkelijk aan de hand van deze objectieve verwijzingsregels worden vastgesteld welk recht van toepassing is op een overeenkomst tussen een Nederlandse en een Britse onderneming. Dit gaat echter veranderen vanaf het moment dat de Brexit een feit is en het Verenigd Koninkrijk geen onderdeel meer uitmaakt van de Europese Unie. Vanaf dat moment is de Rome I-verordening namelijk in beginsel niet meer van toepassing in het Verenigd Koninkrijk.

Als een Britse partij in dat geval bij een Britse rechter een vordering instelt op grond van een overeenkomst met een Europese wederpartij, zal de Britse rechter niet meer op basis van de Rome I-verordening, maar op grond van het eigen (internationaal) privaatrecht moeten beoordelen welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Op dit moment is nog niet te voorspellen tot welk toepasselijk recht de Britse rechter in dat geval zal komen. Dit brengt enige onzekerheid met zich mee. Voor contracten die nu nog gesloten moeten worden kan er echter al gemakkelijk door partijen op een Brexit geanticipeerd worden.

Hoe te anticiperen?
Om toekomstige ‘verrassingen’ over het op de overeenkomst toepasselijke recht te voorkomen, is het aan te bevelen uitdrukkelijk een rechtskeuze op te nemen in de overeenkomst. Veelal wordt in de juridische wereld namelijk aangenomen dat ook op grond van het (toekomstige) internationaal privaatrecht van het Verenigd Koninkrijk een uitgebrachte rechtskeuze door de rechter gerespecteerd zal worden waardoor partijen zelf in hun overeenkomst kunnen beslissen aan welk recht zij onderworpen willen worden. Aangezien het nog niet te voorspellen is of het Verenigd Koninkrijk haar wetgeving, dat nu veelal op Europees recht is gebaseerd, zal aanpassen, schept een rechtskeuze voor het recht van het Verenigd Koninkrijk alsnog enige onduidelijkheid. Een rechtskeuze voor het recht van een land dat wel lid blijft van de Europese Unie, zoals bijvoorbeeld Nederlands recht biedt dan ook de meeste duidelijkheid.

Voor reeds gesloten overeenkomsten waarin geen rechtskeuze is vastgelegd, bestaat de optie om deze te heronderhandelen dan wel een zogenoemd addendum (aanvulling op de bestaande overeenkomst) op te (laten) stellen waarin alsnog een rechtskeuze wordt gemaakt. Als heronderhandelen geen optie is omdat bijvoorbeeld uw wederpartij de noodzaak hier niet van inziet, is het helaas nog onduidelijk wat de toekomst brengt als een Britse rechter over uw overeenkomst moet oordelen. Mogelijk is dat het Verenigd Koninkrijk in haar eigen (internationale) privaatrecht volledig aansluit bij de bepalingen van de Rome I-verordening, maar zeker is dit allerminst.

Conclusie
Als je als Nederlandse ondernemer voldoende voorbereid wilt zijn op de Brexit is het aan te bevelen in toekomstige overeenkomsten een rechtskeuze op te nemen voor Nederlands recht. Voor reeds bestaande overeenkomsten waarin geen rechtskeuze is opgenomen, bestaat bovendien de mogelijkheid om in een addendum alsnog een rechtskeuze voor Nederlands recht op te nemen.

We zullen de toekomstige ontwikkelingen in het kader van de Brexit nauwlettend voor u in de gaten houden, zodat we u in een volgende bijdrage meer tips kunnen geven die handig zijn bij het sluiten van overeenkomsten met een Britse partij.

Indien u vragen heeft op het gebied van internationale contracten, kunt u natuurlijk ook altijd met mij of één van mijn collega’s contact opnemen.

 

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen