Home > Faillissementen en overig insolventierecht > Zijn handelingen van de curator na vernietiging van het faillissement verbindend?
Zijn handelingen van de curator na vernietiging van het faillissement verbindend?

Zijn handelingen van de curator na vernietiging van het faillissement verbindend?

Eén van de gevolgen van een faillissement is dat de gefailleerde niet langer bevoegd is over zijn vermogen te beschikken. Dit in tegenstelling tot de curator, die vanaf de faillietverklaring belast is met het beheren en vereffenen van de boedel. Hiertoe behoren onder andere handelingen zoals het beëindigen van huur- of arbeidsovereenkomsten, maar ook het verkopen van activa.

Het gebeurt regelmatig dat de gefailleerde in verzet komt tegen de faillietverklaring, of daartegen in hoger beroep gaat. Van een curator, die wordt geconfronteerd met een door de gefailleerde ingesteld verzet of hoger beroep, wordt alsdan verwacht dat hij zich terughoudend opstelt en zijn werkzaamheden tot een minimum beperkt, totdat de rechtbank op het verzet of hoger beroep heeft beslist.

Dit laatste is van belang omdat, wanneer het faillissement als gevolg van verzet of hoger beroep (of cassatie) wordt vernietigd, in de tussentijd door de curator verrichte handelingen in beginsel in stand blijven (art. 13 Faillissementswet). Beëindigt de curator bijvoorbeeld een huurovereenkomst, terwijl het faillissement later als gevolg van een geslaagd verzet wordt vernietigd, dan blijft deze huuropzegging – ondanks het geslaagde verzet – toch in stand. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben voor de (voorheen gefailleerde) onderneming.

Het vorenstaande is slechts anders indien de curator de handeling verrichte op het moment dat van de vernietiging van het faillissement door de griffier kennis was gegeven aan de rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken, zodat de vernietiging in het register kan worden ingeschreven. Beëindigt de curator bijvoorbeeld een huurovereenkomst nadat het faillissement is vernietigd en nadat de griffier daarvan kennis heeft gegeven aan de rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken, dan heeft die huuropzegging geen effect. De huurovereenkomst blijft gewoon in stand.

Casus
Bovenstaande problematiek kwam aan de orde in een recent arrest van de Hoge Raad.
Op 20 augustus 2014 wordt X op verzoek van zijn schuldeisers in staat van faillissement verklaard. X gaat in hoger beroep en op 9 oktober 2014 wordt het faillissement door het Hof vernietigd. De schuldeisers stellen vervolgens cassatie in.

Op 22 november 2014, dus nadat het faillissement in hoger beroep was vernietigd, heeft de curator zaken van X verkocht en geleverd aan een derde. X is het hiermee niet eens en start een kort geding tegen de curator, waarin zij afgifte van haar in eigendom toebehorende zaken vordert.

De voorzieningenrechter verklaart X niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat volgens de voorzieningenrechter nog steeds sprake was van een faillissementstoestand. X stelt vervolgens hoger beroep in. In hoger beroep wijst het Hof de vorderingen X bij arrest van 7 juli 2015 af, omdat volgens het Hof op dat moment de vernietiging van het faillissement onherroepelijk was geworden en dus geen sprake meer was van een faillissementstoestand. Volgens het Hof was X aan de beschikkingshandelingen van de curator gebonden, gelet op artikel 13 Faillissementswet: indien ten gevolge van verzet, hoger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor de schuldenaar de handelingen, door de curator verricht vóór of op de dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is voldaan. De gebondenheid bestond en blijft, ook al blijkt achteraf dat er geen faillissement was.

Oordeel Hoge Raad
In cassatie klaagt X erover dat het hof heeft miskend dat de vernietiging van het faillissement in hoger beroep onmiddellijke werking heeft zodat de faillissementstoestand daarmee onmiddellijk wordt opgeheven om slechts te herleven indien er voor zover een rechtsmiddel daartegen slaagt. De Hoge Raad laat het oordeel van het Hof desondanks in stand. Volgens de Hoge Raad strookt het oordeel van het Hof met de regel van artikel 13 Faillissementswet dat handelingen van de curator die zijn verricht na vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring, maar vóór of op de dag waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 Faillissementswet is voldaan, voor de schuldenaar geldig en verbindend blijven. De Hoge Raad verwijst daarbij naar zijn arrest van 22 oktober 1940 (NJ 1941/431). De Hoge Raad merkt nog wel op, met verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal, dat van een curator mag worden verwacht dat hij terughoudend gebruikmaakt van zijn bevoegdheden in een situatie als de onderhavige, waarin het vonnis tot faillietverklaring is vernietigd, maar deze vernietiging nog niet onherroepelijk is geworden. Uitoefening van een bevoegdheid met onomkeerbare gevolgen dient in beginsel te worden beperkt tot gevallen waarin deze in het belang is van de boedel en uitstel in de gegeven omstandigheden, gelet op alle betrokken belangen, niet kan worden geduld, zoals wanneer deze uitoefening noodzakelijk is voor de voortzetting van de onderneming van de schuldenaar.

Concluderend
Handelingen van de curator verricht na vernietiging van het faillissementsvonnis, maar vóór het onherroepelijk worden ervan, kunnen toch bindend zijn voor de voormalig failliet. De curator dient echter terughoudend gebruik te maken van zijn bevoegdheden wanneer hij wordt geconfronteerd met een vernietigd faillissement.

Voor vragen over dit artikel kunt u contact opnemen met Maartje ter Horst, advocaat insolventierecht.
T: +31 (0)24 38 13 149
E: terhorst@dirkzwager.nl

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen