Home > Rechtsvormen > Omzetting kerkgenootschap in stichting: prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
Omzetting kerkgenootschap in stichting: prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Omzetting kerkgenootschap in stichting: prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

Recentelijk moest de Rechtbank Amsterdam (de “Rechtbank”) zich uitspreken over de omzetting van een kerkgenootschap in een stichting. Hierbij heeft de Rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Eerder dit jaar heeft mijn collega Marèl Baak een eerdere uitspraak van dezelfde Rechtbank uit 2015 besproken, waarbij de Rechtbank in een omgekeerde situatie het verzoek tot omzetting afwees. De Rechtbank lijkt nu meer duidelijkheid over zaken te wensen en richt zich hierbij tot de Hoge Raad.

In casu
In deze zaak (ECLI:NL:RBAMS:2016:6699) gaat het om de omzetting van de Nederlands-Israëlitische Instelling voor Sociale Arbeid (de “Verzoekster”), een onderdeel van het kerkgenootschap Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam. Verzoekster moet zich tot de Rechtbank wenden in een verzoekschriftprocedure, daar voor de omzetting in een stichting een rechterlijke machtiging is vereist op grond van artikel 2:18 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Alleen de rechtspersoon (de Verzoekster dus) kan de rechterlijke machtiging verzoeken aan de rechtbank ingevolge artikel 2:18 lid 5.

Problematiek
Een eerste obstakel is de toepassing van artikel 2:18 BW. Artikel 2:2 lid 2 BW bepaalt immers dat artikel 2:18 BW niet van toepassing is op kerkgenootschappen (waarbij in de wettekst voorts staat dat overeenkomstige toepassing geoorloofd is, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen). De Rechtbank geeft aan dat dit punt al sterk onzeker is, daar artikel 2:2 lid 2, tweede volzin, BW en de parlementaire geschiedenis naar het oordeel van de Rechtbank geen antwoord op deze vraag geeft. In de literatuur en de jurisprudentie lijkt ook geen eenduidig antwoord te zijn.
Indien de overeenkomstige toepassing van artikel 2:18 BW van toepassing zou zijn, moet vervolgens worden getoetst of artikel 2:18 BW in casu overeenkomstig mag worden toegepast. Indien de overeenkomstige toepassing in casu geoorloofd is, dient de Rechtbank de vraag in casu vervolgens te beantwoorden. Bij deze laatste twee vervolgstappen is het blijkens rechtsoverweging 4.10 voor de Rechtbank niet duidelijk in hoeverre zij moet toetsen. De Rechtbank geeft in ieder geval wel aan dat Verzoekster in het onderhavige geval de (on)mogelijkheid van de overeenkomstige toepassing zelf dient te beoordelen doch dat het statuut van Verzoekster niets regelt hieromtrent en de beide besturen het over de omzetting eens zijn. De Rechtbank is (voorlopig) voorts van oordeel dat de toepassing van artikel 2:18 BW zou leiden tot een positieve beslissing op het verzoek, waardoor de omzetting doorgang zou kunnen vinden. Door de meerdere obstakels blijft het oordeel van de Rechtbank echter voorlopig. De Rechtbank stelt vervolgens een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad ex artikel 392 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Conclusie
Hiermee lijkt de Rechtbank aan te geven een einde te willen maken aan de onduidelijkheid in deze en soortgelijke zaken. Een zeer goed punt, lijkt mij. Zowel partijen, de behandelaar als de rechtbank zouden immers geholpen zijn met duidelijke handvatten en meer rechtszekerheid. Wij houden de zaken dan ook nauwlettend in de gaten en zullen u op de hoogte houden over de ontwikkelingen. Wordt vervolgd.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen