Home > Faillissementen en overig insolventierecht > Bevoegdheden van de pandhouder
Bevoegdheden van de pandhouder

Bevoegdheden van de pandhouder

Op grond van artikel 3:246 lid 1 BW is de schuldeiser met een openbaar pandrecht op een vordering op naam (een pandrecht dat is medegedeeld aan de debiteur van de verpande vordering) bevoegd in en buiten rechte nakoming te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. De openbaar pandhouder is ook bevoegd om de vordering door opzegging opeisbaar te maken. Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering kent de wet de pandhouder niet toe, zodat moet worden aangenomen dat deze bij de pandgever blijven rusten, zo oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 21 januari 2014. De pandgever blijft dus bevoegd handelingen te verrichten zoals het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding. Ook blijft de pandgever bevoegd tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortvloeit, hetgeen tevens gevolgen voor de vordering heeft of kan hebben. Het doen van afstand (art. 6:160 BW) behoort volgens de Hoge Raad ook tot de hiervoor bedoelde bevoegdheden die bij de pandgever blijven. De pandhouder die het niet eens is met het handelen van de pandgever kan de desbetreffende rechtshandeling proberen te vernietigen met een beroep op artikel 3:45 BW (benadeling van schuldeiser(s)) of schadevergoeding vorderen van de pandhouder op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).

Zoals uit het voorgaande blijkt, is de pandhouder bevoegd om in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen. Een schuldenaar die niet tot betaling wil overgaan, denkt daar vaak anders over wanneer zijn faillissement wordt aangevraagd. De faillissementsaanvraag is een goed pressiemiddel. Mag een pandhouder – die immers nakoming van de vordering mag eisen – het faillissement van de debiteur van de verpande vordering aanvragen? Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 17 maart 2016 dat de pandhouder niet bevoegd is het faillissement van de debiteur aan te vragen. Het hof oordeelt dat de pandhouder alleen inningsbevoegd is met betrekking tot de vordering, maar dat de pandhouder geen schuldeiser is geworden van de debiteur van de verpande vordering. De schuldeiser is nog steeds de pandgever. Omdat de pandhouder geen schuldeiser is van de debiteur van de verpande vordering en de bevoegdheid het faillissement aan te vragen niet in artikel 3:246 BW is opgenomen, oordeelt het hof dat de pandhouder niet bevoegd is het faillissement van de debiteur van de verpande vordering aan te vragen. Die bevoegdheid komt blijkbaar nog steeds toe aan de pandgever, terwijl de pandgever niet meer bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen. Hierdoor is de pandhouder genoodzaakt om in overleg te treden met de pandgever en deze er eventueel toe te bewegen het faillissement van de debiteur van de verpande vordering aan te vragen. Het is de vraag of dit een wenselijke uitkomst is. Tegen de uitspraak van het hof is overigens beroep in cassatie ingesteld. Het is dus goed mogelijk dat de Hoge Raad tot een ander oordeel komt.

Zeer recent heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat de bevoegdheid tot het doen van een beroep op de vernietigbaarheid van algemene voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 6:233 BW, een bevoegdheid is die bij de pandgever achterblijft. De pandhouder kan volgens de rechtbank geen bepalingen uit algemene voorwaarden (die zien op de verpande vordering) vernietigen. Wat was er aan de hand? De pandhouder sprak de debiteur van de verpande vordering tot betaling aan. De debiteur weigerde tot betaling over te gaan en beriep zich in dit kader op de algemene voorwaarden die van toepassing waren op de overeenkomst waaruit de verpande vordering voortvloeide. Op grond van een beding uit die algemene voorwaarden zou een deel van de verpande vordering niet betaald hoeven te worden. De pandhouder meende dat het beding onredelijk bezwarend was, dan wel dat geen redelijke mogelijkheid tot kennisname was geboden en vorderde vernietiging van het betreffende beding. Een geslaagd beroep op vernietiging zou ertoe hebben geleid dat het beding niet zou gelden en dat de pandhouder op een groter bedrag aanspraak zou kunnen maken. Dit ging echter niet op, omdat de rechtbank besliste dat de bevoegdheid om een beding in de algemene voorwaarden te vernietigen een bevoegdheid is die niet voorkomt in artikel 3:246 BW en derhalve blijft toebehoren aan de pandgever.

Op grond van de wet is de pandhouder bevoegd om in en buiten rechte nakoming te vorderen van de verpande vordering en betalingen in ontvangst te nemen. Het wetsartikel waarin dit is bepaald, wordt tot nu toe beperkt uitgelegd: alleen bevoegdheden die in het artikel zijn genoemd, komen de pandhouder toe. Andere bevoegdheden die verbonden zijn aan de verpande vordering, zoals het verlenen van kwijtschelding, ontbinding, vernietiging en verzoeken om het faillissement van de debiteur, zijn bevoegdheden waarvan wordt geoordeeld dat die aan de pandgever blijven toebehoren.

 

financiering&zekerheden, pandrecht, pandhouder, art. 3:246 BW

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen