Home > Faillissementen en overig insolventierecht > Aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouder bij turboliquidatie
Aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouder bij turboliquidatie

Aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouder bij turboliquidatie

Op 12 juli 2016 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden zich uitgesproken over de vraag of in het licht van een turboliquidatie, de (indirect) bestuurder en de enig aandeelhouder op de voet van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (persoonlijk) aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het ontbinden van de vennootschap.

Aansprakelijkheid bestuurder
Voor een aansprakelijkheid van de (indirect) bestuurder geldt, op basis van eerdere jurisprudentie volgens het Hof, als maatstaf dat in geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering er naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld, waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, maar er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Bij de beoordeling of een bestuurder jegens een specifieke schuldeiser van de vennootschap waarvan hij bestuurder is onrechtmatig heeft gehandeld in de hiervoor bedoelde zin, spelen alle omstandigheden van het geval een rol.

De partij die de bestuurder aansprakelijk stelt, zal moeten bewijzen dat de bestuurder een ernstig verwijt te maken valt. In deze casus slaagde de eiser hierin niet.

De eiser stelde dat de bestuurder in deze zaak niet bevoegd was om tot ontbinding van de vennootschap over te gaan, omdat de schulden de baten overtroffen. Volgens eiser heeft de bestuurder onrechtmatig jegens haar gehandeld, omdat hij na de ontbinding van vennootschap als vereffenaar had moeten optreden en/of haar faillissement aan had moeten vragen, althans tot een evenredige vergoeding van de beschikbare tegoeden had moeten overgaan. Het Hof verwerpt deze stelling en overweegt dat in geval van turboliquidatie op de voet van artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek het formele vereffeningstraject van art. 2:23 e.v. Burgerlijk Wetboek immers niet hoeft gevolgd te worden. Anders dan bij een formele vereffening rustte op de bestuurder derhalve geen verplichting om het faillissement van de vennootschap aan te vragen. Dat turboliquidatie alleen toegestaan zou zijn wanneer er noch baten, noch schulden zijn, volgt, aldus het Hof, niet uit artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek: het artikel vereist niet meer dan dat de vennootschap geen baten meer heeft. Vast staat dat er ten tijde van het ontbindingsbesluit geen activa aanwezig waren, terwijl gesteld noch gebleken is dat in een faillissement van de vennootschap activa waren te verwachten of te genereren.

Aansprakelijkheid aandeelhouder
Uitgangspunt inzake de aansprakelijkheid van een aandeelhouder is dat derden de aandeelhouder niet kunnen aanspreken voor verplichtingen van de vennootschap (artikel 2:175 Burgerlijk Wetboek). In de rechtspraak zijn uitzonderingen aangenomen in gevallen waarin een (veelal enig) aandeelhouder een zorgvuldigheidsnorm schond jegens de crediteuren van de vennootschap. Daarbij ging het om situaties waarin door handelen van de aandeelhouder de crediteuren (voorzienbaar) werden benadeeld doordat gelden of andere vermogensbestanddelen aan de vennootschap werden onttrokken.

De gedraging die in de uitspraak de aandeelhouder wordt verweten, betreft het door haar genomen ontbindingsbesluit. Feiten of omstandigheden waaruit zou blijken dat de aandeelhouder met dit besluit kennelijk tot doel heeft gehad de verhaalspositie van eiser te frustreren zijn niet gesteld en ook niet gebleken.

Peter-Jan Hopmans

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen