Home > Contracten > Klantenvergoeding ten aanzien van bestaande klanten principaal?
Klantenvergoeding ten aanzien van bestaande klanten principaal?

Klantenvergoeding ten aanzien van bestaande klanten principaal?

We hebben al vaker geschreven over de beëindiging van een agentuurovereenkomst en het recht op een klantenvergoeding bij het einde van de agentuurovereenkomst.

Op grond van artikel 7:442 lid 1 BW heeft een agent bij het einde van de agentuurovereenkomst in beginsel recht op een klantenvergoeding, voor zover hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomst met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren en de betaling van deze vergoeding billijk is. Het bedrag van de klantenvergoeding is niet hoger dan dat van de beloning over één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren, of indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan. Artikel 7:442 BW bepaalt dat partijen voor het einde van de agentuurovereenkomst niet ten nadele van de handelsagent kunnen afwijken van deze wettelijke regeling.

De Nederlandse wetgeving inzake agentuurovereenkomst is gebaseerd op een uniforme Europese richtlijn (86/653/EG). In dat kader is het arrest van het Hof van Justitie van 7 april 2016 relevant waar de vraag centraal stond of een Duitse handelsagent recht had op een klantenvergoeding ten aanzien van klanten die de handelsagent had aangebracht voor goederen waarvan de verkoop hem was toevertrouwd door de principaal, ook al deden die klanten met betrekking tot andere goederen reeds zaken met die principaal. Met andere woorden kunnen in een dergelijk geval bestaande klanten van de principaal in het licht van de richtlijn (86/653/EG) –en aldus ook artikel 7:442 lid 1 BW– worden aangemerkt als nieuwe klanten en is een klantenvergoeding ten aanzien van deze klanten op zijn plaats?

In casu maakte een groothandelaar in brilmonturen gebruik van de diensten van verschillende agenten. Het assortiment brilmonturen werd voornamelijk aan opticiens verkocht. Aan geen van deze agenten was het volledige assortiment van de principaal toevertrouwd, maar één of meer merken. Bij het einde van de agentuurovereenkomst met één van de handelsagenten, weigerde de groothandelaar een klantenvergoeding aan deze handelsagent te betalen. De groothandelaar was van mening dat de door de handelsagent genoemde klanten niet konden worden aangemerkt als nieuwe klanten omdat die klanten al met hem zaken deden voor wat betreft brilmonturen die vergelijkbaar waren met de brilmonturen ten aanzien waarvan de handelsagent was belast met het tot stand brengen van de verkoop, maar dan van andere merken.

Het Hof van Justitie oordeelt dat ook bestaande klanten van de principaal als nieuwe klanten in de zin van de richtlijn (86/653/EG) kunnen worden aangemerkt wanneer het voor de verkoop van de aan de handelsagent toevertrouwde merken noodzakelijk is met iedere klant een zakelijke relatie aan te gaan die specifiek is voor het aan de handelsagent toevertrouwde merken. Het Hof van Justitie beaamt overigens wel dat het voor een handelsagent gemakkelijker is om nieuwe goederen te verkopen aan personen die reeds zaken doen met de principaal. De nationale rechter kan bij het vaststellen van de hoogte van de klantenvergoeding daar rekening mee houden.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen