Home > Ondernemingsrecht > Conservatief dividendbeleid aan te merken als wanbeleid?
Conservatief dividendbeleid aan te merken als wanbeleid?

Conservatief dividendbeleid aan te merken als wanbeleid?

Wij hebben al vaker geschreven over de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. De enquêteprocedure is een bijzondere gerechtelijke procedure waarmee onder meer beoogd wordt om snel en doeltreffend een einde te maken aan situaties die het functioneren en het voortbestaan van een vennootschap bedreigen. Deze procedure heeft formeel als doel om vast te stellen of er bij een vennootschap sprake is van wanbeleid, om vervolgens te komen tot sanering en herstel van de goede verhoudingen.

In een recente uitspraak van de Ondernemingskamer stond de vraag centraal of een conservatief dividendbeleid is aan te merken als wanbeleid (Gerechtshof Amsterdam 8 december 2015 ECLI:NL:GHAMS:2015:5312).

De feiten zijn als volgt.
X houdt 25% van de aandelen in een familiebedrijf (hierna: de vennootschap). De vennootschap maakt al jaren winst en de vennootschap heeft geen openstaande leningen meer bij de bank. De vennootschap heeft de afgelopen jaren dividend uitgekeerd aan haar vier aandeelhouders maar steeds tot een veel lager bedrag dan de totale winst. X vindt dat een onjuist dividendbeleid wordt gevoerd en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. X is vervolgens een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer gestart met als doel de dividendbesluiten te vernietigen en te bepalen dat er een hoger dividend zal worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. X heeft ter onderbouwing van haar stelling dat het dividendbeleid wanbeleid oplevert gesteld dat het dividendbeleid niet in overeenstemming was met de statuten van de vennootschap, waarin staat dat er een ‘behoorlijk dividend’ uitgekeerd moet worden, en dat het beleid erop gericht was X financieel ‘uit te roken’, althans dat haar belangen – op ontoereikende gronden – ondergeschikt werden gemaakt aan de (vermeende) belangen van het bedrijf en de bedrijfscultuur.

De Ondernemingskamer heeft vervolgens bij beschikking een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap.

De Ondernemingskamer stelt voorop dat zij niet treedt in de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder het uitkeren van een ‘behoorlijk dividend’ als bedoeld in de statuten van de vennootschap, noch in de beantwoording van de vraag hoeveel dividend er uitgekeerd (zou) moet(en) worden.

Art. 2:216 lid 1 BW bepaalt – kort gezegd – dat in beginsel de algemene vergadering bevoegd is tot bestemming van de winst en tot vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves. Als uitgangspunt heeft te gelden dat die winst de houders van aandelen ten goede komt. Uitzonderingen daarop zijn denkbaar. Zo kan de algemene vergadering besluiten tot gehele of gedeeltelijke reservering van de winst. Daarbij dient zij het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW in acht te nemen. Op grond daarvan dient zij het belang van een (minderheids)houder van aandelen bij uitkering van dividend zorgvuldig te wegen tegen het belang van de vennootschap en de wens van de (andere) houder(s) van aandelen om de winst geheel of gedeeltelijk aan de reserves toe te voegen.

De Ondernemingskamer stelt dat aan aandeelhouders beoordelingsvrijheid toe komt ter zake van het dividendbeleid en de Ondernemingskamer het gevoerde beleid slechts marginaal toetst. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan uit de feitelijke bevindingen van de onderzoeker niet worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het gevoerde dividendbeleid sprake was van wanbeleid van de aandeelhouders. De overige aandeelhouders hebben betoogd dat de liquiditeiten zich sinds 2013 negatief ontwikkelen en dat het aanhouden en waarborgen van liquiditeiten noodzakelijk was in het kader van de benodigde toekomstige financiering. Zij heeft voorts gemotiveerd gesteld dat het aantrekken van bankfinanciering in strijd is met haar strategie. Daarnaast heeft zij haar bijzondere karakter als familiebedrijf benadrukt, dat zich kenmerkt door een langere termijnvisie en een focus op continuïteit met het oog op de komende generatie. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan het door de aandeelhouders gevoerde dividendbeleid de genoemde marginale toets doorstaan. Voor dit oordeel speelt een belangrijke rol dat na 2006 het dividendbeleid, procentueel gezien, aanzienlijk is verruimd ten opzichte van de periode daarvoor. De Ondernemingskamer wijst het verzoek van X dan ook af.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen