Home > Rechtsvormen > Afwijzing verzoek omzetting stichting in kerkgenootschap
Afwijzing verzoek omzetting stichting in kerkgenootschap

Afwijzing verzoek omzetting stichting in kerkgenootschap

Stichting Nederlandse Kerkprovincie van de Koptisch Orthodoxe Kerk Patriarchaat van Alexandrië (de “Stichting”) heeft de Rechtbank Amsterdam (de “Rechtbank”) verzocht machtiging te verlenen voor haar omzetting in een kerkgenootschap. De Rechtbank  heeft aangenomen dat het verzoek is gebaseerd op artikel 2:18 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), hetgeen door de Stichting is bevestigd door haar betoog dat deze bepaling in het onderhavige geval analoog van toepassing zou moeten zijn.

Artikel 2:2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid bezitten. De omzetting van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm is geregeld in artikel 2:18 BW. Artikel 2:2 BW bepaalt echter dat dit artikel inzake omzetting niet geldt voor kerkgenootschappen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze te verenigen is met hun statuut en met de aard van de onderlinge verhoudingen.
Naar het oordeel van de Rechtbank is in het onderhavige geval geen plaats voor overeenkomstige toepassing van artikel 2:18 BW en overweegt daarbij het volgende. De vereiste machtiging voor de voorgenomen omzetting vraagt om een inhoudelijk oordeel van de burgerlijke rechter. Dat blijkt ook uit de (niet limitatieve) opsomming van de gevallen waarin de machtiging moet worden geweigerd (lid 5). Eén van de weigeringsgronden is het geval dat de belangen van stemgerechtigden die niet hebben ingestemd of van anderen van wie ten minste iemand zich tot de rechter heeft gewend, onvoldoende zijn ontzien. Verder moet worden aangenomen dat de rechter geen machtiging kan verlenen indien de inrichting van de gekozen nieuwe rechtsvorm niet voldoet aan de wettelijke eisen of strijdig is met de openbare orde.

De rechtbank wijst het verzoek van de Stichting af (Rechtbank Amsterdam 18 juni 2015, NJF 2015/485). Zij oordeelt dat aan het verlenen van de machtiging niet alleen in de weg staat dat in dit geval op geen enkele manier inzichtelijk is gemaakt welk kerkelijk statuut op het beoogde kerkgenootschap van toepassing zou zijn en wat de inhoud hiervan is (en daarmee dus ook niet inzichtelijk is of dit statuut een omzetting toestaat en welke inrichtingseisen voor het kerkgenootschap gelden). De Rechtbank kan om deze redenen niet beoordelen of de inrichting van het kerkgenootschap strijdig is met de daarvoor geldende eisen. Daarnaast verzet het in ons staatsbestel verankerde beginsel van scheiding tussen kerk en staat, hetgeen ook ten grondslag ligt aan artikel 2:2 BW, zich er tegen dat burgerlijke rechter beslist over het ontstaan van een kerkgenootschap en over de wijze waarop deze is ingericht en haar vermogen besteedt.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen