Home > Contracten > Beëindiging van een agentuurovereenkomst
Beëindiging van een agentuurovereenkomst

Beëindiging van een agentuurovereenkomst

We hebben al vaker geschreven over de beëindiging van een agentuurovereenkomst. De agentuurovereenkomst is een zogenaamde benoemde overeenkomst. Dit betekent dat er voor dit type overeenkomst speciale wettelijke regels gelden, die zijn opgenomen in de artikelen 428 tot en met 445 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Deze speciale regels zien onder meer op de opzegging van agentuurovereenkomsten.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft recentelijk een arrest gewezen waar de beëindiging van een agentuurovereenkomst centraal stond (Rechtbank ‘s Hertogenbosch, 24 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4740).

De feiten zijn als volgt. De heer X verricht werkzaamheden voor So Expo, een onderneming die beursstands ontwerpt, produceert en exploiteert. De heer X deed dit aanvankelijk als werknemer maar vanaf 1 augustus 2011 op basis van een agentuurovereenkomst. De heer X moet Turkse bedrijven benaderen om beursstands van So Expo te verkopen. In artikel 11 van de agentuurovereenkomst is bepaald dat So Expo gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen met een opzegtermijn van slechts één maand indien sprake is van een achterblijvende omzet (minder dan € 500.000 in enig jaar). De resultaten blijven achter en So Expo zegt op 4 oktober 2012 de agentuurovereenkomst op per 1 december 2012.

De heer X vernietigt de opzegging omdat hij van mening is dat de in acht genomen termijn te kort is en maakt aanspraak op schadevergoeding en een goodwillvergoeding.

Het hof oordeelt dat de in acht genomen opzegtermijn inderdaad te kort is. Op het moment van de opzegging (na het intreden van het tweede jaar van de overeenkomst) mocht So Expo op grond van artikel 7:437 lid 2 BW geen opzegtermijn van minder dan twee maanden hanteren, waarbij opzegging plaats diende te vinden tegen het einde van een kalendermaand. Het hof converteert de opzegging naar een geldige opzegging tegen 1 januari 2013 en wijst ten aanzien van de niet in acht genomen opzegtermijn een (gefixeerde) schadevergoeding toe.

Op grond van artikel 7:442 lid 1 BW heeft een agent bij het einde van de agentuurovereenkomst in beginsel recht op een klantenvergoeding, voor zover hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomst met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren en de betaling van deze vergoeding billijk is. Het bedrag van de klantenvergoeding is niet hoger dan dat van de beloning over één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2012, stelt het hof voorop dat de vaststelling van de klantenvergoeding in drie fasen moet verlopen. In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de heer X aangebrachte klanten So Expo opleveren, gekwantificeerd te worden. Vervolgens moet in de tweede fase beoordeeld worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de heer X gederfde provisie; de billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen. Tot slot wordt in de derde fase getoetst of het uit conform het voorgaande berekende bedrag het maximumbedrag (beloning over het één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren) niet te boven gaat.

Partijen hadden het hof weinig aanknopingspunten verschaft voor toepassing van bovengenoemde factoren. Het hof stelt daarom in de eerste fase schattenderwijs het bedrag van € 12.500 vast.

Vervolgens moet het hof in het kader van de tweede fase beoordelen of reden bestaat dit bedrag te verhogen of te verlagen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de agent gederfde provisie. Naar het oordeel van het hof voeren de omstandigheden van het onderhavige geval tot een verlaging van het bedrag tot € 10.000. Het hof neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

  • de heer X heeft niet betwist dat de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst en de daarop aansluitende ingang van de agentuurovereenkomst op zijn verzoek hebben plaatsgevonden;
  • de heer X heeft niet betwist dat de resultaten van de agentuur achterbleven bij de verwachtingen van So Expo en bij de resultaten die andere agenten met andere werkgebieden bereikten;
  • er is niet is komen vast te staan dat een van beide partijen in overwegende mate een verwijt valt te maken van de tegenvallende resultaten.

Aangezien het bedrag van € 10.000 het maximumbedrag niet te boven gaat, vindt geen aanpassing in de derde fase plaats.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen