Home > Ondernemingsrecht > PROCESRECHT : Hoe verloopt een civiele dagvaardingsprocedure?
PROCESRECHT : Hoe verloopt een civiele dagvaardingsprocedure?

PROCESRECHT : Hoe verloopt een civiele dagvaardingsprocedure?

Inleiding
In mijn praktijk merk ik dat het voor cliënten niet altijd duidelijk is hoe een civiele procedure precies in zijn werk gaat. In onderstaand artikel zet ik dit globaal uiteen. Ook zal ik ingaan op de plannen om deze civiele procedure te vereenvoudigen en te digitaliseren.

In het burgerlijk recht kennen wij twee belangrijke soorten procedures: de dagvaardingsprocedure en de verzoekschriftprocedure. In de dagvaardingsprocedure staan twee partijen tegenover elkaar:  de eiser en de gedaagde. De gedaagde wordt in deze procedure door de eiser gedagvaard om voor de rechtbank te verschijnen. Hiervoor wordt door de deurwaarder een dagvaarding aan de gedaagde uitgereikt. In de dagvaarding zet de eiser uiteen wat hij vordert van de gedaagde partij en waarom.

De verzoekschriftprocedure lijkt in zeker opzicht op de dagvaardingsprocedure. Hier spreken we alleen wel van een verzoeker en een verweerder in plaats van een eiser en een gedaagde. In een verzoekschriftprocedure vraagt de verzoeker de rechter om een beslissing te nemen. Deze procedures komen vaak voor met betrekking tot zaken van personen- en familierecht. Denk hierbij aan scheidingen, een ondercuratelestelling, een onderbewindstelling of het voogdijschap. Op de verzoekschriftprocedure wordt in dit artikel verder niet ingegaan.

Uitwisseling van schriftelijke stukken
Een civiele dagvaardingsprocedure begint schriftelijk. De eiser stuurt via een deurwaarder een dagvaarding aan de gedaagde. Daarin staat wie de eiser is, wat hij wil, van wie en waarom, en welke bewijzen hij heeft om zijn stellingen te onderbouwen. Ook staat in de dagvaarding tot wanneer de gedaagde zich (schriftelijk) bij de rechtbank kan melden (de “roldatum”) en bij welke rechtbank hij dat moet doen. De woonplaats van de gedaagde bepaalt veelal welke rechtbank de zaak in behandeling gaat nemen. Het kan ook zijn dat partijen in een overeenkomst, waaronder ook de algemene voorwaarden worden verstaan, voor de bevoegdheid van een bepaalde rechter hebben gekozen.

De eiser stuurt de dagvaarding vervolgens uiterlijk op bovengenoemde roldatum naar de rechtbank. De gedaagde kan op diezelfde datum zijn schriftelijke verweer bij de rechtbank indienen (de “conclusie van antwoord”). Wanneer de gedaagde dit niet op de roldatum doet, krijgt hij van de rechtbank zes weken de tijd om dit alsnog te doen.  In  de conclusie van antwoord legt de verweerder uit op welke punten hij het niet eens is met de eiser en waarom niet. De gedaagde kan eventueel ook een tegenvordering (“eis in reconventie”) instellen.

Meestal is een advocaat verplicht
In de meeste gevallen dient u bij bovengenoemde handelingen te worden bijgestaan door een advocaat. Dit stelt de rechtbank verplicht. Bovengenoemde schriftelijke stukken (“processtukken”) worden op basis van de informatie en stukken die u aan uw advocaat geeft door uw advocaat opgesteld en vervolgens door uw advocaat bij de rechtbank ingediend.

U heeft geen advocaat nodig om te procederen bij de sector kanton van de rechtbank. De kantonrechter behandelt o.a. huurrechtzaken, arbeidsrechtzaken en civiele geschillen met een geldelijk belang van minder dan € 25.000,-.

De mondelinge behandeling
Na de eerste schriftelijke ronde worden de partijen meestal opgeroepen om in persoon te verschijnen bij de rechtbank (de “comparitie van partijen”). Beide partijen mogen dan mondeling aan de rechter uitleggen hoe volgens hen de zaak in elkaar zit. De rechter zal daar ook vragen over stellen. Ook zal de rechter bij partijen aftasten of er misschien ruimte is voor een schikking. De partijen worden in dat geval vaak letterlijk “de gang op gestuurd” waar de partijen dan met elkaar en met hun advocaten overleg plegen over een mogelijke regeling. Als het lukt om tot een regeling te komen, zal de rechter zal meestal bereid zijn om ter plekke mee te werken aan het op schrift stellen van deze regeling. Dat document wordt dan door partijen ondertekend waarmee de procedure dan tot een einde komt en er dus ook geen vonnis meer wordt gewezen.

Het vervolg
Na de comparitie van partijen kan een rechter een aantal dingen doen. In een aantal gevallen zal hij als eerstvolgende stap (waar nog wel langere tijd overheen kan gaan!) een eindvonnis wijzen. Wanneer hij echter vindt dat de situatie nog niet voldoende duidelijk is om een beslissing te nemen kan hij ook bepalen dat er een tweede schriftelijke ronde moet komen (repliek en dupliek). Zowel eiser als gedaagde zetten via hun advocaten dan nogmaals schriftelijk uiteen waarom zij gelijk hebben, en dat en waarom een bepaalde vordering moet worden toegewezen, of juist moet worden afgewezen. Een andere mogelijkheid is dat de rechter besluit om een tussenvonnis te wijzen waarin hij bijvoorbeeld aan een van de partijen de opdracht geeft om  iets te bewijzen.  De rechter kan ook een of meer deskundigen vragen nader onderzoek te doen voordat hij een vonnis wijst.

Positie van de rechter
De civiele rechter heeft geen actieve, maar een zogenaamde lijdelijke rol. Dat wil zeggen dat hij afwacht welke feiten de eiser en de gedaagde naar voren brengen en luistert naar hun argumenten. Andere feiten mag hij niet meewegen in zijn oordeel. Hij mag bijvoorbeeld ook niet meer schadevergoeding opleggen dan de eiser vraagt, of partijen er op wijzen dat een vordering is verjaard, als daar niet al een beroep op is gedaan.

Verstek
Als een gedaagde niet op de dagvaarding reageert en geen schriftelijk verweer indient verleent de rechter verstek aan deze niet-verschenen gedaagde. Vervolgens wijst de rechter een verstekvonnis, wat meestal betekent dat de rechter de eis van de eiser overneemt in zijn vonnis. De gedaagde moet dan de kosten van de procedure betalen. Tegen een verstekvonnis kan de gedaagde in verzet gaan bij de rechtbank. De gedaagde moet dan de eiser dagvaarden. De procedure loopt dan alsnog door vanaf de dagvaarding van de oorspronkelijke eiser.

Eindvonnis
Wanneer een rechter voldoende informatie (al dan niet na getuigenverhoren en/of deskundigenonderzoek) heeft doet hij een uitspraak. De civiele rechter schrijft in een vonnis of de vordering van de eiser (en eventueel de tegenvordering van de gedaagde)  al dan niet geheel of gedeeltelijk kan (kunnen) worden toegewezen. Hij beslist ook wie de kosten van de procedure moet betalen, zoals het griffierecht, de kosten van de deurwaarder en voor een deel ook de kosten van de advocaat. Partijen moeten zich aan het vonnis van de rechter houden. Wie dat niet doet, kan daartoe worden gedwongen. De deurwaarder kan dan bijvoorbeeld beslag leggen op een bankrekening en goederen van de veroordeelde partij verkopen. Op de opbrengst kan de andere partij zich dan verhalen. Soms legt de rechter een dwangsom op. Dit houdt in dat de veroordeelde partij een (veelal hoge) boete moet betalen voor elke dag dat hij het vonnis niet nakomt, of voor elke volgende overtreding die hij maakt.

Hoger beroep
Wie het niet eens is met de beslissing van de rechter kan meestal in hoger beroep bij het gerechtshof. Andere rechters zullen dan nog eens naar de zaak en de beoordeling van de rechtbank  kijken. Als de procedure bij de rechtbank ging over een bedrag van minder dan  € 1.750 kan er geen hoger beroep worden ingesteld.

Meestal is een vonnis “uitvoerbaar bij voorraad”. Dat betekent dat de partij die heeft verloren moet doen wat in het vonnis staat, ook al gaat hij in hoger beroep. Er kan dan dus ook (al) beslag worden gelegd.  Als “uitvoerbaar bij voorraad” niet in het vonnis staat en een partij gaat in hoger beroep kan het vonnis niet ten uitvoer worden gelegd totdat het gerechtshof in hoger beroep over de zaak heeft beslist. Tegen de uitspraak van het gerechtshof kunnen partijen vervolgens cassatie instellen bij de Hoge Raad. Het is wel goed om te weten dat er bij de Hoge Raad niet meer wordt gediscussieerd over de feiten; die worden als vaststaand beschouwd. Het is bijvoorbeeld in de regel niet meer mogelijk om dan alsnog bepaalde feitelijke stellingen (door getuigen) te bewijzen.

Kort geding
Een gewone civiele procedure (“de bodemprocedure”) kan lang duren. Een jaar of langer is daarin meer regel dan uitzondering. Soms wil of kan de eiser niet zolang wachten, bijvoorbeeld omdat een producent niet meer wil leveren, of omdat iemand niet wil dat een bepaald artikel in de krant wordt gepubliceerd. De voorzieningenrechter van de rechtbank behandelt deze spoedeisende zaken in kort geding. De eiser stuurt een concept van de dagvaarding nu eerst aan de rechter, om de rechter te vragen een datum te bepalen voor een zitting (“de mondelinge behandeling”). De zitting zal ongeveer binnen vier tot zes weken worden ingepland. Is er meer spoed, omdat bijvoorbeeld een nieuwsuitzending van diezelfde avond nog voorkomen dient te worden, dan zal de rechter daaraan meewerken en kan desnoods op dezelfde dag een zitting plaatsvinden.

De eiser stuurt vervolgens via een deurwaarder een dagvaarding aan de gedaagde met daarin de datum van de zitting. De gedaagde kan ook aangeven vrijwillig te zullen verschijnen, het is dan niet nodig de dagvaarding door de deurwaarder uit te laten brengen. De dagvaarding wordt dan per gewone post of e-mail aan de gedaagde toegestuurd.

De eiser in kort geding moet een advocaat in de arm nemen. Een gedaagde partij hoeft dat niet, tenzij hij een tegenvordering wil indienen. De advocaten van partijen lichten mondeling hun standpunt tijdens de zitting toe, de gedaagde heeft vooraf dus veelal geen schriftelijk verweer ingediend en zal zich extra goed op de zitting moeten voorbereiden. Partijen mogen de rechter tijdens de zitting wel een schriftelijk stuk overhandigen waar op staat wat ze gaan zeggen (“de pleitnota”). Documenten om de standpunten te onderbouwen moeten zo vroeg als mogelijk voor de zitting aan de rechter en de tegenpartij worden toegestuurd.

De voorzieningenrechter neemt snel een beslissing, vaak binnen twee weken, maar soms nog dezelfde dag. Dit is een voorlopige uitspraak. Hierna kunnen de partijen alsnog naar de rechtbank voor een bodemprocedure, maar dat komt relatief weinig voor. Meestal leggen partijen zich bij de uitspraak in kort geding neer. Als een partij zijn volledige schade vergoed willen zien, dan zal hij wel een bodemprocedure moeten starten.

Tegen de uitspraak in kort geding kunnen partijen binnen vier weken in hoger beroep bij het gerechtshof. Tegen de uitspraak van het gerechtshof kunnen partijen in cassatie bij de Hoge Raad.

Procesreglementen civiel
Op een procedure bij de civiele rechter zijn procesreglementen van toepassing, waarin is geregeld hoe de procedure verloopt, hoe stukken moeten worden ingediend en welke termijnen daarbij gelden. Deze procesreglementen zijn te downloaden op http://www.dzw.gr/dfa15.

Nieuw procesrecht op komst
De minister van Veiligheid en Justitie en de Raad voor de rechtspraak werken samen aan nieuw procesrecht. Zij menen dat de rechtspraak in Nederland moet aansluiten bij de digitalisering van de samenleving en dat procedures  sneller en eenvoudiger moeten. Dat is het doel van het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak (KEI). Het programma richt zich op het civiele procesrecht en het bestuursprocesrecht.

Het programma KEI moet de rechtspraak toegankelijker maken. Dit wordt gedaan door bijvoorbeeld partijen op ieder moment en vanaf iedere plek digitaal toegang te geven tot de rechtspraak. Via een digitaal portaal kan iedere partij in de toekomst:

  • een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure starten;
  • verweer voeren;
  • stukken indienen en inzien;
  • de voortgang van de procedure volgen;
  • de uitspraak van de rechter ontvangen.

De procedure in het civiele proces wordt ook eenvoudiger  gemaakt onder de nieuwe KEI-wetgeving. Er komen minder verschillen tussen vorderings- en verzoekschriftprocedures. De nieuwe basisprocedure begint voortaan door het indienen van een zogenaamde “digitale procesinleiding”. Deze procesinleiding is de opvolger van de huidige dagvaarding. Onder het nieuwe recht is hier ook niet altijd meer een deurwaarder voor nodig.

De basisprocedure heeft vaste termijnen en bestaat uit een schriftelijke ronde, een mondelinge behandeling bij de rechter en daarna een uitspraak. De mondelinge behandeling blijft dezelfde vorm behouden als de huidige comparitie van partijen.

Als de procedure vrij ingewikkeld is kan de rechter besluiten tot een uitgebreidere behandeling. Zo kan hij bijvoorbeeld een langere termijn geven om een verweerschrift in te dienen of een aparte zitting bevelen om getuigen te horen.

Het wetsvoorstel is op 26 mei 2015 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer zal zich nu buigen over het wetsvoorstel. Verwacht wordt dat dit najaar 2016 zal gebeuren. Wij houden u op de hoogte.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen