Home > Algemeen > Kan een ontbonden vennootschap na turboliquidatie alsnog failliet verklaard worden?
Kan een ontbonden vennootschap na turboliquidatie alsnog failliet verklaard worden?

Kan een ontbonden vennootschap na turboliquidatie alsnog failliet verklaard worden?

In een eerder artikel schreven wij al over turboliquidatie als eenvoudige manier om een vennootschap te beëindigen. De vennootschap wordt alsdan ontbonden door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders. Indien de vennootschap op dat moment geen baten meer heeft, houdt zij direct op te bestaan. Zijn er wel baten, dan moet vereffening van de ontbonden vennootschap plaatsvinden.

Recentelijk kwam in een zaak bij het Gerechtshof Den Haag de vraag aan de orde of een vennootschap, die geturboliquideerd is, nadien alsnog failliet verklaard kan worden.

Feiten
Op 14 april 2015 wordt een verzoek tot faillietverklaring van SAS bij de rechtbank ingediend door een aantal bouwnijverheidsfondsen. Nog voordat de rechtbank uitspraak doet, wordt op 13 mei 2015 bij de Kamer van Koophandel opgave gedaan dat SAS is ontbonden en opgehouden te bestaan, omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren.

Op de faillissementszitting verweert SAS zich door te stellen dat de onderneming bij besluit van 13 mei 2015 is ontbonden en dat een niet meer bestaande rechtspersoon niet in staat van faillissement kan worden verklaard, tenzij de aanvrager van het faillissement kan aantonen dat er nog baten zijn. Naar de mening van SAS is van dit laatste geen sprake.

Rechtbank
De rechtbank spreekt vervolgens op 21 mei 2015 toch het faillissement van SAS uit. Daartoe overweegt de rechtbank dat het besluit tot ontbinding ná de indiening van het faillissementsverzoek is genomen. Dat komt, aldus de rechtbank, op het eerste gezicht onzorgvuldig voor, nu uit de faillissementsaanvraag – die inhoudelijk niet is betwist – blijkt dat er meerdere schuldeisers zijn die onbetaald zijn gebleven. Dat roept vragen op over de werkwijze van het bestuur. Een curator kan onderzoeken of er in dat verband sprake is van een vordering uit hoofde van (bijvoorbeeld) bestuurdersaansprakelijkheid. Ook kan een curator nagaan of de vennootschap nog actief bezat ten tijde van de indiening van het faillissementsverzoek en wat daarmee is gebeurd. Wellicht kunnen deze mogelijke baten nog te gelde worden gemaakt, zo overweegt de rechtbank.

Hof
SAS is het met de faillietverklaring niet eens en gaat in hoger beroep.

Het Hof overweegt dat een ontbonden besloten vennootschap, die bij gebrek aan baten dadelijk heeft opgehouden te bestaan, ingevolge het arrest Adjuncten Propterties/Söderqvist in staat van faillissement kan worden verklaard, zonder dat eerst heropening van de vereffening op de voet van artikel 2:23c BW plaatsvindt. In dat geval moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan. Ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW blijft de rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen noodzakelijk is.

Anders dan de fondsen bepleiten kan het verzoek tot faillietverklaring alleen ingewilligd worden indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die de aanwezigheid van één of meer baten voldoende aannemelijk maken, aldus het Hof. De fondsen bepleiten dat wanneer het bestuur een ontbindingsbesluit heeft genomen terwijl is gebleken dat de schulden de baten overtreffen, het bestuur aangifte tot faillietverklaring moet doen op de voet van artikel 2:23a lid 4 BW. Daar is het Hof het echter niet mee eens. Volgens het Hof miskennen de fondsen daarmee de strekking van het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW: ongeacht de aanwezigheid van één of meer schulden brengt het enkele ontbreken van baten teweeg dat de rechtspersoon dadelijk ophoudt te bestaan, zodat vereffening achterwege blijft en aan een verzoek tot faillietverklaring niet wordt toegekomen.

Het Hof overweegt vervolgens dat summierlijk is gebleken dat er mogelijke vorderingen zijn op de bestuurders uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid (ex artikel 2:248 BW), omdat vaststaat dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld wegens te late deponering van de jaarrekeningen (ex artikel 2:394 BW). De aan de curator toekomende vordering op grond van artikel 2:248 BW is weliswaar strikt genomen geen bate van de vennootschap, maar een bate voor de boedel, maar het begrip bate dient ruim te worden uitgelegd. Het Hof volgt dan ook de beslissing van de rechtbank en bekrachtigt het vonnis. De faillietverklaring blijft in stand.

Conclusie
Ook na turboliquidatie kan een vennootschap failliet verklaard worden, indien (summierlijk) blijkt van baten die mogelijk nog te gelden kunnen worden gemaakt. Een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid is in strikte zin geen bate van de vennootschap, maar het begrip bate dient ruim te worden opgevat. Een dergelijke vordering valt derhalve wel degelijk onder “bate” in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen