Home > Leisure & Hospitality > Toepasselijk BTW-tarief voor bijkomende diensten
Toepasselijk BTW-tarief voor bijkomende diensten

Toepasselijk BTW-tarief voor bijkomende diensten

Een stichting exploiteert een groot natuurpark en een museum, al sinds 1935. In het Handelsregister staat vermeld dat de stichting activiteiten ontplooit op het gebied van het beheer van het park en ontvangst van publiek. Het park bestaat uit ruim 450 hectare met onder meer bos, heidevelden, gras­vlakten en zandverstuivingen. Er leven diverse verschillende dieren in het wild en er zijn bijzondere boomsoorten te vinden. Het park is te voet of met de auto te bezoeken en in het park zijn er op verschillende plaatsen gratis fietsen waarmee bezoekers zich binnen het park kunnen verplaatsen.

Met de auto kan een beperkt deel van het park worden bereikt en is het in het park slechts op een beperkt aantal plaatsen toegestaan om de auto te parkeren in de berm langs de weg. Bezoekers van het park die niet met de auto het park in willen rijden, kunnen de auto’s parkeren op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen bij één van de drie ingangen van het omheinde park.

Op de toegang is het lage BTW-tarief van toepassing. Bezoekers die met de auto het park inrijden betalen € 6 extra toegang en bezoekers die de auto parkeren bij de ingang betalen hiervoor € 2. De stichting doet aangifte omzetbelasting en betrekt daarin de opbrengsten van het parkeergeld tegen het hoge BTW-tarief.

De stichting maakt vervolgens zelf (tijdig) bezwaar tegen de aanslag die de Belastingdienst haar oplegt. De stichting stelt dat de opbrengst van de parkeergelden belast moet worden tegen het lage btw-tarief. De belastingdienst wijst dit bezwaar af, waarna de stichting een procedure aanhangig maakt bij de rechtbank Gelderland om het bedrag van de aanslag naar beneden toe bijgesteld te krijgen en voor de toekomst duidelijk te krijgen dat de parkeervergoeding, net zoals de toegang tot het park, op het lage BTW-tarief moet worden gesteld.

Bij de rechtbank voert de stichting ter onderbouwing  hiervan aan dat het verstrekken van parkeergelegen­heid een bijkomende dienst is bij het verlenen van toegang tot het park. Bovendien bestaat er voor het parkeren in het geval van kamperen en logies ook een regeling, inhoudende dat het parkeren belast wordt tegen het lage BTW-tarief van 6%. Indachtig het gelijkheidsbeginsel, dient dit ook te gelden voor het parkeren bij het natuurpark.

De belastingdienst stelt dat het geven van gelegenheid tot parkeren een afzonderlijke prestatie is, die los staat van de entree van het park en die men eventueel afzonderlijk kan afnemen. Kamperen en logies is niet vergelijkbaar met het bezoeken van een park.

De rechtbank wijst in haar einduitspraak naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, die stelt dat wanneer een prestatie uit verschillende elementen bestaat uit het oogpunt van de omzetbelasting moet worden beoordeeld of er sprake is van één enkele prestatie danwel verschillende prestaties. Een prestatie moet als één enkele prestatie worden beschouwd wanneer twee of meer elementen of handelingen zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij objectief gezien niet een te splitsen economische prestatie vormen en waarvan het kunstmatig zou zijn om die uit elkaar te halen. Van één prestatie is ook sprake wanneer één of meer elementen een hoge prestatie vormen en de andere elementen min of meer aanvullende prestaties vormen die het (fiscale) lot van de hoofdprestatie delen. De prestatie moet met name als bijkomend worden beschouwd als het voor de bezoeker geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

De stichting en de belastingdienst verschillen niet van mening dat het parkeren en bezoeken van het park zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij economisch gezien onsplitsbaar zijn.

De belastingdienst verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad, waarbij het oordeel van het Hof Den Bosch in stand is gelaten en dat de exploitatie van een parkeergelegenheid bij een attractiepark moet worden aangemerkt als een op zichzelf staande dienst. De rechtbank meent echter dat na die genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 2006 verschillende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gevolgd, die het tegendeel betogen, namelijk dat een prestatie bijkomend is, wanneer het dient als middel om de hoofddienst aantrekkelijk te maken. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 10 augustus 2012 volgt dat de Hoge Raad sedert 2006 meer gewicht toekent aan het onderscheid tussen de twee verschillende wegen die te bewandelen zijn om te komen tot een beoordeling welk omzetbelastingtarief geldt voor één prestatie. De rechtbank ziet daarin ruimte om in dit geval aan te nemen dat het parkeren bij het natuurpark voor de stichting een bijkomende dienst is om het bezoeken van het natuurpark zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Het publiek heeft geen afzonderlijk belang bij het parkeren op de parkeerplaatsen van de stichting, als zij het park niet komen bezoeken. De parkeerplaatsen zijn daarvoor namelijk te specifiek en te afgelegen.

Dat bovendien de stichting de parkeerterreinen alleen maar exploiteert met het doel bezoekers in staat te stellen het natuurpark te voet of op de fiets te bezoeken, blijkt uit de relatief zeer lage vergoeding die de stichting voor het parkeren vraagt. Het feit dat een hogere vergoeding moet worden betaald wanneer men met de auto het natuurpark betreedt, is ook een indicatie van het doel van de stichting bij het gunnen van parkeergelegenheid.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de toegang tot het park de hoofddienst vormt voor de bezoeker en dat het geven van gelegenheid tot parkeren een bijkomende dienst is, die het fiscale lot van de hoofddienst volgt. Op het parkeren is derhalve het lagere btw-tarief van toepassing. De rechtbank stelt dan ook de belastingdienst in het ongelijk.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen