Home > Faillissementen en overig insolventierecht > Mag koper koopsom verrekenen met een vordering op de failliet?
Mag koper koopsom verrekenen met een vordering op de failliet?

Mag koper koopsom verrekenen met een vordering op de failliet?

In een faillissement hebben schuldeisers van de failliet een ruimere verrekeningsbevoegdheid dan buiten faillissement het geval is. Zo hoeven, anders dan buiten faillissement het geval is, de schuld en de vordering niet aan elkaar te beantwoorden. Wel moeten de schuld en de vordering vóór het faillissement zijn ontstaan of voortvloeien uit handelingen vóór de faillietverklaring met gefailleerde verricht. Voordeel van verrekening in faillissement is dat de schuldeiser op deze manier zijn vordering al voldaan krijgt, ongeacht de rang van zijn vordering. Ook hoeft hij niet bij te dragen in de algemene faillissementskosten, wanneer hij met succes een beroep op verrekening doet.

Indien echter sprake is van schuldoverneming, geldt ingevolge artikel 54 Faillissementswet dat degene die vóór faillietverklaring een schuld aan of op de failliet overneemt, niet bevoegd is tot verrekening indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld. Dit artikel vormt dan ook een uitzondering op de hiervoor genoemde verrekeningsregels in faillissement.

In een recente uitspraak van de Hoge Raad stond deze uitzondering centraal. Aan de orde kwam de vraag of de koper, die vóór faillietverklaring een koopovereenkomst met de schuldenaar had gesloten, de koopsom kon verrekenen met een vordering die hij had op de failliet uit hoofde van een geldlening.

Feiten
Tot een concern, dat zich bezighoudt met (o.a.) import, verhuur en onderhoud van grondverzetmachines en kranen, behoren de vennootschappen A, B en C. In 2003 leed het concern grote verliezen.

Eind 2003 wordt door de bestuurder van B de vennootschap Wemaro opgericht. Tussen Wemaro en B wordt vervolgens een geldleningsovereenkomst gesloten, waarin is vermeld dat een bedrag van € 1 miljoen is overgemaakt naar een rekening ten name van B bij Fortis.

Fortis constateert vervolgens dat de schuldenaar bij deze overeenkomst niet B maar A was, op wiens naam ook de in de geldleningsovereenkomst genoemde bankrekening stond. Op verzoek van Fortis wordt vervolgens een door B medeondertekende geldleningsovereenkomst opgemaakt tussen Wemaro en A, waarin wordt vermeld dat de eerdere vermelding van B als lener op een vergissing berustte.

Op 15 juli 2004 wordt er tussen A en Wemaro een koopovereenkomst gesloten, op basis waarvan A haar vorderingen op derden ad € 920.938,– verkoopt (cedeert) aan Wemaro. De koopovereenkomst vermeldt dat de koopsom door Wemaro zal worden voldaan door verrekening met de geldlening van € 1 miljoen die Wemaro aan A heeft verstrekt. Vervolgens gaat A op 24 augustus 2004 failliet.

Vordering
De curator van A spreekt Wemaro aan tot betaling van het bedrag waarvoor Wemaro de vorderingen van A op derden heeft gekocht (zijnde € 920.938,–). De curator stelt dat de geldlening waarmee de koopsom zou zijn verrekend niet aan A maar aan B is verstrekt, waardoor er in werkelijkheid geen verrekening heeft plaatsgevonden. Subsidiair stelt de curator dat de verrekening van de koopsom met het bedrag van de geldlening in strijd is met artikel 54 Faillissementswet.

De rechtbank en het hof hebben de vorderingen van de curator toegewezen op basis van de subsidiaire grondslag (artikel 54 Faillissementswet). Wemaro komt daartegen in cassatie, stellende dat artikel 54 Faillissementswet niet van toepassing is nu zij de schuld aan A niet heeft verkregen door deze over te nemen van een derde.

Hoge Raad
De Hoge Raad gaat met Wemaro mee en overweegt dat het toepassingsbereik van artikel 54 Faillissementswet is beperkt tot het geval dat degene die gebruik wenst te maken van zijn bevoegdheid tot verrekening, niet te goeder trouw handelde toen hij een schuld aan of een vordering op de gefailleerde overname van een derde. Het onderhavige geval, waarin Wemaro niet de schulden van derden aan A heeft overgenomen, maar de vorderingen van A op derden heeft gekocht van A, wordt derhalve naar de letter niet door artikel 54 Faillissementswet bestreken.

Daaraan voegt de Hoge Raad nog toe dat artikel 54 lid 1 Faillissementswet ertoe strekt om verrekening uit te sluiten in die gevallen waarin een schuldenaar of een schuldeiser van de boedel een vordering respectievelijk een schuld van een derde overneemt met het doel zichzelf de mogelijkheid van verrekening te verschaffen. Anders dan het hof heeft overwogen, rechtvaardigt deze strekking niet om het toepassingsbereik van deze bepaling te doen uitstrekken tot een geval als het onderhavige, waarin – aldus het hof – “voor de faillietverklaring een goed van de schuldenaar wordt gekocht en aldus een verrekenbare schuld wordt gecreëerd”.

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen