Home > Ondernemingsrecht > Duiding vorderingen uit hoofde van 403-verklaring
Duiding vorderingen uit hoofde van 403-verklaring

Duiding vorderingen uit hoofde van 403-verklaring

In de praktijk wordt de groepsvrijstelling als bepaald in artikel 2:403 BW regelmatig toegepast. Een moedermaatschappij die ten behoeve van een groepsmaatschappij (een ‘403-rechtspersoon’) een verklaring als bedoeld in artikel 2:403 BW heeft gegeven is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden uit rechtshandelingen van die 403-rechtspersoon. Die hoofdelijkheid houdt in dat een schuldeiser van de 403-rechtspersoon mag kiezen of hij voor een vordering uit rechtshandeling verhaal zoekt bij de 403-rechtspersoon (zijn oorspronkelijke contractpartij) of bij de moedermaatschappij. Bij de toepassing van een 403-verklaring gaat het (dus) om twee verschillende rechtsverhoudingen, een verhouding tussen de schuldeiser en de 403-rechtspersoon (op basis van een tussen die partijen tot stand gekomen overeenkomst) en een verhouding tussen de schuldeiser en de moedermaatschappij (op basis van een door de moedermaatschappij afgegeven 403-verklaring).

Er is de nodige onduidelijkheid over op welke wijze de uit de twee verhoudingen voortvloeiende vorderingen moeten worden geduid. Eén benadering houdt in dat het gaat om twee zelfstandige vorderingen, een vordering jegens de 403-rechtspersoon en een vordering jegens de moedermaatschappij. Een tweede benadering houdt in dat het vorderingsrecht dat voortvloeit uit de 403-vordering afhankelijk is van de vordering uit hoofde van de contractverhouding tussen de schuldeiser en de 403-rechtspersoon. De verschillende benaderingen hebben verschillende (praktische) consequenties, zoals in een recent vonnis van het hof in Den Haag aan de orde kwam.

In de casus die in hoger beroep ter beoordeling aan het hof in Den Haag werd voorgelegd kwam het verschil tussen de beide benaderingen naar voren in het kader van het vraagstuk van verjaring. De schuldeiser van de 403-rechtspersoon had bij brief van 30 juni 2005 aanspraak gemaakt op betaling van twee facturen uit hoofde van een contractuele verhouding (aanneemovereenkomst) met de 403-rechtspersoon, die in 1999 opeisbaar waren geworden. In 2006 is vervolgens ook bij de moedermaatschappij (die een 403-verklaring had afgegeven, die zich uitstrekte tot de schulden uit hoofde van de aanneemovereenkomst) een vordering ingesteld. Hoewel de rechter niet werd gevraagd te oordelen over de vraag of verjaring van de vordering op de 403-rechtspersoon ook inhoudt verjaring van de vordering op de moedermaatschappij (daarover bestond kennelijk geen verschil van mening tussen partijen) blijkt uit het vonnis wel dat het hof inderdaad uitgaat van een ‘afhankelijk’ verjaringsregime. Dat wil zeggen dat wanneer de vordering op de 403-rechtspersoon is verjaard, de vordering op de moedermaatschappij ook is verjaard, ongeacht of er stuitingshandelingen zijn verricht.

Het standpunt van het hof lijkt uit te gaan van de tweede benadering. In een benadering waarin de beide vorderingen een zelfstandig karakter hebben leidt verjaring van de ene vordering niet als vanzelf tot verjaring van de andere vordering (en stuiting evenmin). Welke benadering wordt gevolgd is ook van belang wanneer partijen de vordering(en) wensen te verpanden dan wel daar afstand van wensen te doen. Ook bij het aangaan van een minnelijke regeling met betrekking tot de vordering tussen de schuldeiser en de 403-rechtspersoon is deze problematiek relevant, zoals blijk uit recente jurisprudentie (waarin een dading met de curator ter beoordeling voorlag), die ik in een volgend artikel aan de orde zal stellen.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen