Home > Ondernemingsrecht > Wederom terzijdestelling blokkeringsregeling
Wederom terzijdestelling blokkeringsregeling

Wederom terzijdestelling blokkeringsregeling

Collega Peter-Jan Hopmans publiceerde al tweemaal op deze kennispagina’s over het sinds 1 oktober 2012 nieuw ingevoerde wetsartikellid 2: 195 lid 7 BW. Gingen de daar besproken uitspraken over een verzoek van de curator aan de rechtbank om op grond van art. 2:195 lid 7 Burgerlijk Wetboek de statutaire blokkeringsregeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren, de onderhavige uitspraak gaat om verzoek van een executant op basis van hetzelfde wetsartikel.

In de onderhavige casus had de schuldeiser (Matrix) een vordering uit hoofde van een verstrekte geldlening op Johnny Loco, een vennootschap waarvan Matrix zelf 21% van de aandelen hield. Deze vordering was in kort geding vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Kort daarna heeft Matrix op basis van voormeld vonnis ten laste van Johnny Loco executoriaal beslag gelegd op alle aandelen die Johnny Loco houdt in haar dochtervennootschappen JL Clothing (100% belang), JL Bicycles (50% belang) en JL Eyewear(40%).

In verband daarmee verzoekt Matrix de Rechtbank om haar op grond van artikel 474g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verlof te verlenen voor de verkoop deze aandelen in de dochtermaatschappijen en daarbij tevens blokkeringsregeling van de twee dochtermaatschappijen waarin Johnny Loco slechts een beperkt belang had terzijde te stellen.

Nadat de rechtbank had vastgesteld dat het beslag door Matrix rechtsgeldig was gelegd en Matrix in het onderhavige geval geen misbruik maakte van zijn executiebevoegdheid, had de rechtbank tot taak een afweging te maken tussen de belangen van Matrix (de executant) bij een snelle verkoop en de belangen van de medeaandeelhouders in JL Bicycles en JL Eyewear bij de statutair vastgelegde blokkeringsregeling [i].

De betrokken blokkeringsregelingen waren zgn. aanbiedingsregelingen, waarin de gebruikelijke termijnen om als aandeelhouder te reageren en alsmede de gebruikelijk prijsbepalingsregelingen waren opgenomen, welke regelingen lijken op de voormalige door de wet geformuleerde aanbiedingsplicht.

De rechtbank oordeelde dat de gemelde statutaire blokkeringsregelingen moeilijk te rijmen zijn met de uitgangspunten van executoriale verkoop, aangezien ze tijdrovend zijn en vermoedelijk kostbaar vanwege de in acht te nemen aanbiedingstermijn en de omstandigheid dat door de zittende aandeelhouders deskundigenonderzoek naar de prijs van de aandelen kan worden verlangd. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van Matrix om haar vordering door middel van een spoedige executie op Johnny Loco te verhalen zwaarder. Doch het belang aangevoerd door de  medeaandeelhouders dat de persoon van de koper van de aandelen in de dochtermaatschappij van groot belang is voor de toekomst van het lifestylemerk Johnny Loco dient ook meegewogen te worden.

In verband daarmee moesten de aandelen in de dochtermaatschappijen worden aangeboden door de deurwaarder aan de medeaandeelhouders, die van de rechtbank twee weken de tijd kregen een koopovereenkomst tot stand te brengen. Lukt dat niet of wordt een aldus gesloten koopovereenkomst naderhand ontbonden dan zullen de aandelen in de dochtermaatschappijen openbaar dan wel onderhands verkocht kunnen worden, met terzijdestelling de aanbiedingsregeling.

Daarenboven bepaalde de rechtbank dat bij de executoriale verkoop van deze aandelen geen prospectusplicht geldt, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2014 [ii]. De rechtbank vindt het evenmin noodzakelijk dat de verkoop voor een notaris plaatsvindt, aangezien een gerechtsdeurwaarder een openbare ambtenaar is, bij koninklijk besluit benoemd, zodat voldoende met waarborgen is omkleed dat hij zijn taak onafhankelijk, behoorlijk en zorgvuldig verricht. De gerechtsdeurwaarder krijgt van de rechtbank in totaal een jaar de tijd om de verkoop van de aandelen in de dochtermaatschappijen tot stand te brengen.

Een opvallende uitspraak, omdat de rechtbank feitelijk de meest gangbare aanbiedingsregeling niet vindt passen met het recht van executie. Daarnaast zet de rechtbank niet alleen de blokkeringsregeling terzijde, doch vult zij deze in met een “eigen” regeling. Men kan zich de vraag stellen of de wetgever een dergelijke gang van zaken met artikel 2: 295 lid 7 BW voor ogen had.

Karen Verkerk


[i] ECLI:NL:RBAMS:2014:7725, Rechtbank Amsterdam 13 november 2014

[ii] Hof van Justitie: arrest in zaak C 441/12, 17 september 2014

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen