Home > Onderwijs > Onderwijspolitiek na de commissie Dijsselbloem
Onderwijspolitiek na de commissie Dijsselbloem

Onderwijspolitiek na de commissie Dijsselbloem

Recent heeft de Onderwijsraad een advies aan de Tweede Kamer gepubliceerd inzake de invloed van de commissie Dijsselbloem op de onderwijspolitiek. De commissie deed in 2007-2008 onderzoek naar de totstandkoming van onderwijsvernieuwingen. De Onderwijsraad (hierna: de “raad”) gaat in haar advies ook in op de vraag of de terugblik aanleiding geeft om het huidige onderwijsbeleid te veranderen.

De raad stelt vast dat de invloed van de commissie Dijsselbloem op de onderwijspolitiek beperkt is. De rolverdeling tussen overheid en onderwijsveld is niet wezenlijk veranderd. Nog steeds bemoeit de overheid zich intensief met de inrichting van het onderwijs op de scholen en worden beleidsmaatregelen gestapeld zonder een gedegen onderbouwing en zonder voldoende interactie met het onderwijsveld. Ook is er sprake van kortcyclisch beleid. Politici en beleidsmakers treffen bij een probleem(signaal) snel maatregelen, zonder dat de vraag gesteld wordt of het betreffende probleem onder de verantwoordelijkheid van de overheid valt.

De hoofdboodschap van de commissie Dijsselbloem is volgens de raad nog onverkort van kracht. De overheid heeft de zorg voor kwalitatief goed onderwijs. Voor overheidsinterventie moet een dwingende en onderbouwde reden zijn. Als de overheid ingrijpt, moet het beleidsproces zorgvuldig zijn: het onderwijsveld moet betrokken zijn en op de overheid kunnen bouwen. Dit is de basis voor het maatschappelijk vertrouwen in het onderwijs. Om dit alles te bereiken, vindt de raad dat een meer omvattend perspectief op onderwijspolitiek nodig is, dat beter past bij deze tijd.

Een nieuw perspectief op onderwijsbeleid is nodig, aldus de raad. Deregulering en autonomievergroting hebben de verhoudingen veranderd: de overheid moet bij nieuw beleid rekening houden met meer en wisselende belanghebbenden. De raad ziet onderwijsbeleid niet als een lineair, centraal aangestuurd proces waarin beleidsontwerp en –uitvoering elkaar opvolgen. Het is een dynamisch en cyclisch proces dat vraagt om een andere rol van de overheid.

De raad doet in dat verband drie aanbevelingen. Als eerste beveelt zij de overheid aan zich te beperken tot de hoofdlijnen van het onderwijsbeleid, en daarop krachtiger te kiezen. De overheid moet zorgen voor kwalitatief goed onderwijs door het stelsel goed te laten functioneren. Lerarenbeleid, soepele overgangen en samenhang in het onderwijs behoren bijvoorbeeld tot haar kerntaken. De overheid kan krachtiger kiezen op deze gebieden. Voor die voorwaarden kan ze zwaardere beleidsinstrumenten inzetten. Deugdelijkheidseisen moeten, aldus de raad, bij wet worden geregeld.

Het behoort ook tot de kerntaak van de overheid om het functioneren van het stelsel als geheel tegen het licht te houden en aan te passen als maatschappelijke ontwikkelingen daarom vragen. Het zo nodig initiëren van onderwijsvernieuwing maakt naar het oordeel van de raad deel uit van “de aanhoudende zorg van de regering voor het onderwijs”. Omwille van het ontwikkelen en bestendigen van een langetermijnperspectief en een democratisch debat daarover, moet de overheid ook oog hebben voor het cumulatieve effect van afzonderlijke beleidsmaatregelen op het stelsel als geheel. Volgens de raad is een visie op de gewenste inhoud en vormgeving van het stelsel onontbeerlijk en kan een debat daarover bijdragen aan het voeren van onderbouwd en duurzaam onderwijsbeleid. Onderwijsbeleid vereist een doordenking van de bredere context waarin het onderwijs plaatsvindt. Kwaliteit is niet de enige maatstaf waaraan onderwijs moet voldoen. Ook de doelmatigheid en toegankelijkheid van het onderwijs moeten gewaarborgd zijn.

Ten tweede adviseert de raad de overheid te zoeken naar nieuwe vormen van representatie. De overheid moet permanent investeren in goede verhoudingen met het onderwijsveld. Ze kan niet volstaan met sectororganisaties en vakbonden als gesprekspartners, maar dient steeds op zoek te gaan naar (andere) relevante actoren en vormen van overleg om zo een breed draagvlak te verwerven voor nieuw beleid. Ook de geluiden van schoolleiders, (niet georganiseerde) leraren, ouders en leerlingen verdienen aandacht.

Tot slot doet de raad de aanbeveling aan de overheid om beter gebruik te maken van informatie uit wetenschap en onderwijsveld. De commissie Dijsselbloem vond dat bij onderwijsvernieuwingen evidentie vaak een beperkte rol speelde. De raad herhaalt het pleidooi van de commissie voor beter gebruik van wetenschappelijke kennis. Hij voegt daaraan toe dat ook andere (praktijk)kennis beter kan worden benut gedurende het gehele beleidsproces, zoals signalen over effecten van beleid (op alle niveaus), monitoring en systematische (ex-ante- en ex-post-)evaluatie.

Als uitsmijter adviseert de raad dat zowel het ministerie van Onderwijs als de Tweede Kamer zelf bouwt aan een goed geheugen van ervaringen in de onderwijspolitiek om herhaling van beleidsfouten te voorkomen.

Een advies waarin de rolverdeling tussen de overheid en het onderwijsveld binnen het gehele onderwijsstelsel duidelijk op de kaart wordt gezet en wordt voorzien van fundamenten. Stof tot nadenken en gesprek.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen