Home > Ondernemingsrecht > Pensioenfonds DuPont mocht verantwoordingsorgaan nieuwe stijl met minder bevoegdheden instellen
Pensioenfonds DuPont mocht verantwoordingsorgaan nieuwe stijl met minder bevoegdheden instellen

Pensioenfonds DuPont mocht verantwoordingsorgaan nieuwe stijl met minder bevoegdheden instellen

Gerechtshof Amsterdam, 18 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3888)

De inmiddels niet meer bestaande deelnemersraad van Pensioenfonds DuPont de Nemoers (Nederland) B.V. (“het Fonds”) had de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam verzocht een aantal besluiten van het Fonds in te trekken, omdat naar de mening van de deelnemersraad het Fonds bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot die besluiten had kunnen komen.

Het betrof de volgende besluiten, die mede waren ingegeven door de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen per 1 juli 2014:

  1. Besluit tot vermindering van het aantal bestuurszetels van 8 naar 6 en wijziging van de samenstelling van het bestuur. Het Fonds achtte deze vermindering noodzakelijk, aangezien de interne en externe eisen die aan bestuurders van Pensioenfondsen worden gesteld ertoe leiden dat er steeds minder geschikte bestuurders beschikbaar zijn. Bovendien werd een kleiner bestuur slagvaardiger geacht. Het Fonds heeft een zogenaamd paritair bestuursmodel. Daarin bezetten de werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden tezamen ten minste evenveel zetels als de werkgeversvertegenwoordigers. In het nieuwe bestuur hebben de pensioengerechtigden op grond van artikel 100 van de Pensioenwet slechts recht op één zetel.
  2. Besluit tot afschaffing van de algemene deelnemersvergadering en tot instelling van een verantwoordingsorgaan nieuwe stijl, waarin het bestaande verantwoordingsorgaan en de deelnemersraad van het Fonds worden gecombineerd. Bij het voormeld paritaire bestuursmodel hoort een verantwoordingsorgaan waarin deelnemers en pensioengerechtigden naar evenredigheid zijn vertegenwoordigd. Een afzonderlijke algemene deelnemersvergadering paste daar naar het oordeel van het Fonds niet (langer) bij, omdat daarin slechts de “actieven” van het Fonds zijn vertegenwoordigd. Het verantwoordingsorgaan nieuwe stijl heeft krachtens de gewijzigde statuten meer bevoegdheden gekregen dan de Pensioenwet in artikel 115a voorschrijft, maar minder dan de oorspronkelijke deelnemersraad en de algemene deelnemersvergadering krachtens de oude statuten hadden.  Zo was het recht om advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot wijziging van een (pensioen)reglement van het Fonds komen te vervallen. Het Fonds vond echter dat het pensioenreglement een exclusieve zaak voor de sociale partners is.

De deelnemersraad was van mening, dat de gepensioneerden in de nieuwe situatie met één zetel in het bestuur ondervertegenwoordigd waren en dat dit zou kunnen leiden tot een onevenwichtige belangenbehartiging. Dit werd versterkt door het verdwijnen van de deelnemersraad als medezeggenschapsorgaan en de verminderde bevoegdheden van het verantwoordingsorgaan nieuwe stijl. De deelnemersraad wilde in ieder geval het adviesrecht ten aanzien van pensioenreglementen behouden. Daarbij stelde de deelnemersraad dat de algemene deelnemingsvergadering krachtens artikel 14 lid 5 van de statuten van het Fonds een instemmingsrecht had voor de desbetreffende statutenwijziging, omdat door het besluit tot statutenwijziging “rechten” van de pensioenuitkeringsgerechtigden werden aangetast of gewijzigd.

De Ondernemerskamer oordeelde dat het feit dat er nog maar één zetel resteert voor de pensioengerechtigden in het Fonds er niet toe leidt dat de pensioengerechtigden zich daarom in het bestuur van het Fonds niet op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. Dat wordt niet anders door het bepaalde in artikel 105, tweede lid, Pensioenwet, waarin wordt voorgeschreven dat personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen zich bij het vervullen van die taak naar de belangen van de in die bepaling vermelde categorieën hebben te richten. Dit houdt naar de mening van de Ondernemerskamer niet in dat die categorieën dan ook in gelijke mate in het bestuur van het pensioenfonds vertegenwoordigd dienen te zijn.

De Ondernemerskamer oordeelde eveneens dat de Wet versterking bestuur pensioenfondsen als een van de uitgangspunten heeft dat een stroomlijning van taken en organen moet worden bewerkstelligd. De afschaffing van de algemene deelnemersvergadering in combinatie met de afschaffing van de deelnemersraad draagt hieraan vermoedelijk bij, omdat genoemde wet, gezien de wetsgeschiedenis, voorziet in een verantwoordingsorgaan nieuwe stijl. Laatstgenoemd verantwoordingsorgaan kan als een combinatie van het verantwoordingsorgaan oude stijl, de algemene deelnemingsvergadering en de deelnemersraad worden beschouwd. Dat de stroomlijning naar het oordeel van de deelnemersraad ook op andere wijze door het Fonds had kunnen worden gerealiseerd, maakt de keuze van het Fonds op zichzelf niet onredelijk of onbegrijpelijk.

De Ondernemingskamer vond het evenmin niet onbegrijpelijk dat het Fonds had geoordeeld dat krachtens artikel 14 lid 5 van de statuten geen instemming was vereist van de algemene deelnemingsvergadering, omdat door het afnemen van de “bevoegdheden” van de algemene deelnemersvergadering niet de “rechten” van de pensioengerechtigden worden aangetast.

Tenslotte achtte de Ondernemerskamer het standpunt van het Fonds dat het pensioenreglement zozeer verbonden is met de exclusief tot het domein van de sociale partners behorende vaststelling van de pensioenovereenkomst en dat zich daarmee een adviesrecht met het verantwoordingsorgaan nieuwe stijl niet verdraagt, evenmin onredelijk of onbegrijpelijk.

Daarmee werden alle verzoeken van de deelnemersraad door de Ondernemingskamer afgewezen.

Karen Verkerk

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen