Home > Onderwijs > De letter en de geest
De letter en de geest

De letter en de geest

Op 18 september 2014 presenteerde de Commissie Goed Onderwijsbestuur VO haar eindrapport onder de titel “De letter en de geest”. De commissie heeft in opdracht van de VO-raad onderzoek gedaan na de naleving binnen het voorgezet onderwijs (hierna: VO) van de Code Goed onderwijsbestuur, de governance code in het VO.

De commissie constateert dat de formele scheiding tussen de functies van intern toezicht en bestuur weliswaar meestal op orde is, maar dat deze scheiding in de praktijk te vaak niet goed uit de verf komt. Organen voor intern toezicht en schoolbesturen zoeken naar de juiste roluitoefening en onderling samenspel. De schoolbesturen en schoolleiders staan voor vragen welke taak- en bevoegdhedenverdeling, welke mate van decentralisatie en wat voor soort besluitvormingsprocessen nu passend zijn. Ook voor de medezeggenschapsorganen is het zoeken naar hun positie in de governanceverhoudingen.

De commissie komt met 30 aanbevelingen. De aanbevelingen zijn gericht aan de besturen, de organen voor intern toezicht en de brancheorganisaties in de sector (de VO-raad en de Vereniging van toezichthouders in onderwijsinstellingen).

Een aantal belangrijke aanbevelingen aan besturen:

  1. Blijf bewust van de risico’s die verbonden zijn aan je positie en demp deze risico’s door hiervoor mechanismen in te bouwen. De commissie beveelt dit eenhoofdige bestuurders (57% van de schoolbesturen in het VO) met klem aan.
  2. Stel proactief een integriteitscode en breng deze tot leven te brengen door hierover te spreken en elkaar hierop aan te  spreken binnen de onderwijsorganisatie.
  3. Haal breed informatie, inzichten, overtuigingen en percepties op bij leerlingen en hun ouders, docenten, niet onderwijzend personeel, directie en staf als input voor en feedback op bestuurlijke processen, zowel langs formele (medezeggenschapsraden) als informele weg.
  4. Zet de horizontale dialoog binnen het eigen (bestuurlijke) onderwijsnetwerk voort, met als doel leren en feedback te verkrijgen.
  5. Wees transparanter over de naleving van de governancecode, inclusief een consciëntieuze en kwalitatief goede toepassing van het ‘pas toe of leg uit’-principe in het jaarverslag en de eigen website. daarbij toe te passen.
  6. Verklein de afstand tot leerlingen en ouders door meer werk te maken van je zorgplicht en breng hen zodanig in positie en rust hen zodanig toe dat zij kunnen participeren in (het besturen van) de onderwijsorganisatie, zowel langs formele als informele weg.

Een aantal belangrijke aanbevelingen aan de organen van intern toezicht:

  1. Blijf bewust van de risico’s die kleven aan de positie van bestuurders en demp deze risico’s door hiervoor toezicht maatregelen te treffen en mechanismen in te bouwen. De commissie beveelt dit in een situatie van een eenhoofdige bestuurder met klem aan.
  2. Wees ambitieuzer in het vergroten van de diversiteit van de bestuurders en van de eigen leden.
  3. Weeg expliciet de mogelijke voor- en nadelen af van ouderleden in het intern toezicht en betrek hierin het perspectief en de mening van de bestuurder(s) en van de medezeggenschapsraad.
  4. Hanteer een kwalitatief goed en actueel toetsingskader met criteria en normen.
  5. Hecht meer belang aan de werkgeversrol en oefen deze ambitieus en professioneel uit.

Op sectorniveau beveelt de commissie onder meer aan een aangepaste code op te stellen, die onder andere een aantal regels bevat die moeten gaan gelden als eisen voor lidmaatschap van de bracheorganisaties. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verplichting om over de omgang met en naleving van de code te rapporteren in het jaarverslag. Voorts worden de bracheorganisaties aanbevolen een stelsel van bestuurlijke visitaties te ontwikkelen, (leer)netwerken te faciliteren en een laagdrempelig loket voor dilemma’s omtrent goed bestuur in te stellen.

Eigen observeringen
De commissie doet waardevolle aanbevelingen om de governance in het VO op een hoger niveau te krijgen. De door de commissie uit het rapport “Van tweeluiken naar driehoeken” van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (“WRR”) overgenomen aanbeveling om te regelen dat de interne controller/financieel directeur statutair een eigenstandig recht krijgt om naar het intern toezichtsorgaan te stappen, verdient implementatie. Jammer dat de commissie geen aandacht heeft besteed aan een aantal door de WRR genoemde alternatieve constructies om de derde “line of defense” vorm te geven.

De commissie werkt niet al haar aanbevelingen uit, doch laat dit aan de sector. Op het punt van de zorgplicht jegens de medezeggenschapsorganen had dit van mij wel gemogen. Zie in dit verband ook mijn opmerkingen ter zake van het wetsvoorstel Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen.

De commissie constateert dat bij een eenhoofdig bestuur vanuit het perspectief van governance meer risico’s bestaan. De commissie gaat echter niet zover om voor te stellen om dit onmogelijk te maken. Wellicht zou in de sector overwogen kunnen worden om een dergelijk verbod wel in te stellen voor onderwijsinstellingen binnen het VO vanaf een bepaalde omvang (bijvoorbeeld: gebaseerd op aantal leerlingen of bestuurder scholen). Voor het geval sprake is van een eenhoofdig bestuur zou ik de sector willen aanbevelen een voorziening in de governancecode op te nemen die regels geeft inzake tegenstrijdig belang (deze regels ontbreken thans nog in de wet voor de stichting (87% van de VO instellingen hebben deze rechtsvorm) alsmede een voorziening die  regels geeft voor het geval de bestuurder afwezig is.

Peter-Jan Hopmans

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen