Home > Leisure & Hospitality > Opzegging agentuurovereenkomst en het mededingingsrecht
Opzegging agentuurovereenkomst en het mededingingsrecht

Opzegging agentuurovereenkomst en het mededingingsrecht

In een arrest van 4 maart 2014 is het gerechtshof Amsterdam tot de conclusie gekomen dat de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR) niet heeft aangetoond dat een aantal vliegtuigmaatschappijen in strijd hebben gehandeld met het mededingingsrecht door de agentuurovereenkomsten met Nederlandse reisbureaus op te zeggen.

De casus
Reisbureaus die zijn aangesloten bij de ANVR en die geaccrediteerd zijn bij de International Air Transport Association (IATA) hadden agentuurovereenkomsten met diverse luchtvaartmaatschappijen. In het kader van deze agentuurovereenkomsten ontvingen de reisbureaus een provisie voor verkochte tickets.

Een aantal bij Star Alliance aangesloten luchtvaartmaatschappijen introduceerden in 2010 een nieuw verkoopmodel. Dit verkoopmodel komt er kort gezegd op neer dat de reisbureaus niet meer op provisiebasis voor de luchtvaartmaatschappijen werken, maar voor de kopers van de tickets. Het is de reisbureaus toegestaan voor hun dienstverlening van de klanten een vergoeding te vragen. In verband met het nieuwe verkoopmodel zegden de luchtvaartmaatschappijen de agentuurovereenkomsten met de reisbureaus op.

Namens haar leden heeft de ANVR een procedure aangespannen tegen de betrokken luchtvaartmaatschappijen. Nadat de kantonrechter Amsterdam de vorderingen van de ANVR had afgewezen, ging de ANVR in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.

Oordeel van het gerechtshof
De argumenten van de ANVR vallen uiteen in twee categorieën. De ANVR is op de eerste plaats van mening dat de agentuurovereenkomsten in strijd met de agentuurregels zijn beëindigd en dat de

de reisbureaus ten onrechte geen goodwill vergoeding hebben ontvangen. Dit aspect van het arrest wordt nader uitgewerkt in het artikel Is het mogelijk dat een agent afstand doet van zijn recht op een klantenvergoeding bij het einde van de agentuurovereenkomst?

Op tweede plaats is de ANVR van mening dat de beëindiging van de agentuurovereenkomsten in strijd is met het Europese en nationale mededingingsrecht. Op dit aspect wordt in dit artikel nader ingegaan.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie overweegt het Gerechtshof dat degene die zich in een procedure op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dit in het kader van de op hem rustende stelplicht dient te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden. Op deze wijze moet een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daarop volgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. De rechter dient immers in staat te worden gesteld de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden teneinde te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering stelt kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden die in het betreffende geval zijn geschonden. Hij zal voldoende inzicht moeten geven in de voor de beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken, alsmede het daadwerkelijk functioneren van de relevante markt(en) en van het (potentiële) effect daarop van de gestelde inbreuken. Volgens het Gerechtshof heeft de ANVR niet aan deze voorwaarden voldaan. Onder meer heeft de ANVR niet duidelijk gemaakt op welke markt(en) de beweerdelijke overtredingen van de mededingingsregels hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft de ANVR volgens het Gerechtshof de overtreding van zowel het kartelverbod als het misbruikverbod niet aangetoond.

De ANVR was van mening dat de luchtvaartmaatschappijen de opzegging onderling hadden afgestemd, omdat ze vrijwel gelijktijdig de agentuurovereenkomsten hadden opgezegd. Hiermee zouden ze in strijd hebben gehandeld met het kartelverbod. De luchtvaartmaatschappijen bestreden dat. Drie van de luchtvaartmaatschappijen stelden dat ze tot hetzelfde concern behoren en daarom de agentuurovereenkomsten gezamenlijk mochten opzeggen. De andere luchtvaartmaatschappijen stelden dat ze afzonderlijk hadden opgetreden en hun individuele beleid hadden bepaald op hetgeen zij in de vakliteratuur hadden  gelezen en in de markt hadden waargenomen. De ANVR heeft deze betwisting volgens het gerechtshof niet weerlegd.

Het gerechtshof is het in beginsel met de ANVR eens dat de wijze waarop de luchtvaartmaatschappijen de agentuurovereenkomsten hebben beëindigd kan gelden als door artikel 24 Mw respectievelijk artikel 102 VWEU verboden misbruik. Om verboden te zijn moet de onderneming die de handelwijze heeft gebezigd wel over een economische machtspositie beschikken. De ANVR heeft volgens het gerechtshof nagelaten aan te tonen dat de luchtvaartmaatschappijen over een dergelijke positie beschikken.

Slot
Het onderhavig arrest laat weer eens zien dat het niet gemakkelijk is in civiele zaken waarin de ACM geen besluit heeft genomen een beroep te doen op de mededingingsregels. Eisers zillen in dergelijke zaken duidelijk moeten maken op welke markt de beweerdelijke overtreding van de mededingingsregels plaatsvindt en wat daarvan de economische effecten zijn. Hiertoe zal de eiser een marktanalyse moeten maken. Dat dit vaak geen eenvoudige opgave is, laat ook de zaak FC Twente zien. FC Twente wilde met een beroep op de mededingingsregels de bierprijs omlaag krijgen. Deze poging strandde op vrijwel dezelfde wijze als in de onderhavige zaak. Zie over hierover het artikel Mededingingsrecht helpt FCTwente niet aan goedkoper bier.

Eric Janssen, advocaat mededingingsrecht

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen