Home > Onderwijs > Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen
Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen

Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen

Onlangs is door de wetgever het voorontwerp voor het ‘Wetsvoorstel Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen’ openbaar gemaakt. Het concept wetsvoorstel voorziet in het versterken van de corrigerende mechanismen in het governancemodel binnen de onderwijsinstellingen, met name door een vergroting van de rol van de medezeggenschapsorganen. Het voorstel bevat regelingen voor onderwijsinstellingen in zowel het funderend, het beroeps-, als het hoger en universitair onderwijs ter zake van onder meer:

a. Benoemingsprocedure bestuurders.
Voorgesteld wordt dat de werving en selectie van bestuurders plaats moeten vinden op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Het medezeggenschapsorgaan binnen de instelling krijgt adviesrecht ten aanzien van het vaststellen van de profielen voor bestuursbenoemingen.

b. Medezeggenschap bij bestuursbenoemingen.
Het medezeggenschapsorgaan van de onderwijsinstelling krijgt een wettelijk adviesrecht bij benoeming en ontslag van bestuurders.

c. Overleg interne toezichthouder en de medezegggenschapsraad.
Voor die onderwijssectoren waarin een verplichting tot regelmatig overleg tussen de interne toezichthouder en het centrale medezeggenschapsorgaan van de instelling thans nog ontbreekt, voorziet het voorstel in een dergelijke verplichting. Dit geldt ook binnen de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Binnen deze verbanden zal de interne toezichthouder overleg moeten plegen met de ondersteuningsplanraad.

d. Tijdig waarschuwen van inspectie van het onderwijs.
Indien de interne toezichthouder redelijkerwijs moet aannemen dat sprake is van wanbeheer moet dit onverwijld worden gemeld aan de inspectie van het onderwijs. Daarmee wordt de inspectie in de gelegenheid gesteld om, met eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de interne toezichthouder, de ernst van de situatie te beoordelen en te bepalen of er voldoende vertrouwen is in de effectiviteit van het interne toezicht. Dit mede in verband met de bevoegdheid van de Minister om bij wanbeheer een aanwijzing aan de onderwijsinstellingen te geven.

e. Aansprakelijkstelling interne toezichthouder door instelling.
Artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid van aansprakelijkstelling van bestuurders door “hun” privaatrechtelijke rechtspersoon (in het onderwijs is dat doorgaans een vereniging of stichting) wegens onbehoorlijke taakvervulling. Die mogelijkheid wordt in het conceptwetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen[1] verbreed tot het toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon. Die verbreding zal van rechtswege ook gelden voor alle interne toezichthoudende organen bij privaatrechtelijke rechtspersonen die onderwijsinstellingen in stand houden.

Het concept wetsvoorstel Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen voorziet in verbinding daarmee in de mogelijkheid van aansprakelijkstelling van interne toezichthouders in de MBOsector, dit omdat het college van bestuur en de raad van toezicht in die sectoren geen organen zijn van een privaatrechtelijke rechtspersoon die de instelling in stand houdt, maar van de instelling zelf.

f. Ontslag door de rechter van bestuurders/intern toezichthouders.
Het concept- wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen regelt dat een bestuurder van een stichting die het belang van de stichting of de met haar verbonden organisatie zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie kan worden ontslagen. Ook voor interne toezichthouders zullen deze ontslagcriteria gelden. Het concept wetsvoorstel Versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen voorziet voor de onderwijswetgeving aanvullend hierop in de mogelijkheid dat ook bestuurders en interne toezichthouders van verenigingen en van bijzondere instellingen in het beroeps-, hoger- en wetenschappelijk onderwijs op voormelde gronden kunnen worden geschorst en ontslagen door de rechter, en wel op verzoek van de Minister indien de Minister (net als is vereist bij ontslag van stichtingsbestuurders door de rechter) kan worden gekwalificeerd als “belanghebbende”.

g. Wijzigingen in de medezeggenschapsvoorschriften voor het funderend onderwijs.
Het concept wetsvoorstel voorziet in een rechtstreekse aanspraak van de medezeggenschapsraad op vergoeding van alle redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor de uitoefening van zijn taken, scholingskosten daaronder begrepen. Onder deze kosten vallen ook de kosten van het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapsraad indien het bevoegd gezag van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.

Het concept wetsvoorstel brengt de beslechting van nalevingsgeschillen (en daarmee alle medezeggenschapsgeschillen) in eerste instantie onder bij de Landelijke Commissie voor Geschillen WNMS (LCG WMS). De Ondernemingskamer zal als hoger beroepsinstantie blijven functioneren. Om de nakoming van uitspraken van de LCG WMS af te kunnen dwingen, wordt aan medezeggenschapsraden en aan de bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid gegeven om de rechter te verzoeken een executoriale titel te verlenen aan de uitspraken van de LCG WMS.

De LCG WMS wordt de bevoegdheid gegeven een dwangsom te verbinden aan haar uitspraken, doch alleen jegens het bevoegd gezag. De dwangsom zal toevallen aan de medezeggenschapsraden. Deze moeten een geïnde dwangsom aantoonbaar ten bate van het onderwijs besteden. Als sanctie op het niet naleven van verplichtingen door de medezeggenschapsraad kan de LCG WMS geen dwangsom verbinden, in plaats daarvan krijgt de geschillencommissie de mogelijkheid om de medezeggenschapsraad te ontbinden, onder oplegging van de verplichting tot het doen verkiezen van een nieuwe medezeggenschapsraad.

Om de nakoming van uitspraken van de geschillencommissie te verbeteren, wordt tevens voorgesteld de LCG WMS de mogelijkheid te geven in haar uitspraken op te nemen op welke wijze partijen naar aanleiding van de uitspraak moeten handelen. Zo wordt bijvoorbeeld voorgesteld om de LCG WMS de bevoegdheid te geven te bepalen dat het bevoegd gezag verplicht is zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering van een bepaald besluit of om gevolgen van een besluit dat niet in stand kan blijven ongedaan te maken.

Voorts is in het concept wetsvoorstel opgenomen dat de medezeggenschapsraden de bevoegdheid krijgen om tegenover het bevoegd gezag een beroep te doen op nietigheid van besluiten waarop door hen geen instemming is verleend. Het betreft dan zowel besluiten die aan de medezeggenschapsraad zijn voorgelegd maar waarop geen instemming is verleend, als besluiten die ten onrechte niet zijn voorgelegd.

h. Eigen observeringen
Met dit concept wetsvoorstel wordt de positie van de medezeggenschapsraad als “countervailing party” van het bevoegd gezag versterkt. Niet is geregeld wie toezicht gaat houden op de omgang van het bevoegde gezag en de interne toezichthouder met de medezeggenschap, het organiseren van tegenspraak en het voldoen aan verplichtingen van regelgeving ten aanzien van medezeggenschap en de consequenties die daaraan moeten worden verbonden. Ook is geen uitvoering gegeven aan een in de Tweede Kamer ingediende en aangehouden motie die voorstelt om aan de medezeggenschapsorganen instemmingsrecht te geven op de (hoofdlijnen van de) begroting. Opvallend is ook dat,waar de rechten van de medezeggenschapsorganen binnen de hele onderwijssector in dit concept wetsvoorstel zoveel mogelijk worden gelijkgeschakeld, niet de mogelijkheid wordt geboden aan de medezeggenschapsorganen in het funderend onderwijs om een enquêteverzoek in het dienen bij de Ondernemingskamer. Tot slot vraag ik me af of de medezeggenschapsorganen niet, als sluitstuk van haar “countervailing powers” de wettelijke mogelijkheid moeten krijgen, onder nader te omschrijven waarborgen zowel in relatie tot de instelling als tot het medezeggenschapsorgaan zelf, om meldingen te doen bij de inspectie voor het onderwijs, bijvoorbeeld ingeval van een redelijk vermoeden van wanbeheer te melden (al dan niet nadat zij dit eerst heeft moeten melden aan de interne toezichthouder en deze er niets mee heeft gedaan).

Peter-Jan Hopmans


[1] Dit concept wetsvoorstel is besproken door mijn collega Eva Nass. Klik hier.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen