Hoefbevangenheid dressuurpaard niet te wijten aan op veiling verkopende bank
Eind augustus 2005 heeft de ING bank een paard, Poëtin, dat aan haar verpand was ter zekerheid van een verleend krediet, in beslaggenomen om vervolgens enkele dagen later op een veiling te verkopen. Ruim drie maanden later, op 13 december 2005, is het paard wegens een ernstige hoefbevangenheid afgemaakt.
De vordering
Voor de Rechtbank Amsterdam vorderde de koper een bedrag van in totaal € 1.181.797,- terzake de vervangende waarde van het paard, kosten samenhangende met de veilingkoopovereenkomst en overige kosten en daarboven nog aanvullende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en de wettelijke rente.
Als grondslag voor de vordering stelt de koper dat de ING bank het paard als gezond topdressuurpaard op de veiling heeft aangeboden, terwijl zij er van op de hoogte was dat het paard langdurig in een paardenkliniek was behandeld en zware medicijnen toegediend kreeg. De relevante veterinaire gegevens zijn volgens de koper door de ING bank opzettelijk verzwegen en het paard had niet intensief onder het zadel bereden mogen worden, zoals is gebeurd tijdens de veiling. De koper stelt zich op het standpunt dat de ING bank toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de veilingkoopovereenkomst, dan wel heeft zij koper bedrogen of in dwaling gebracht, dan wel heeft zij onrechtmatig gehandeld.
Rechtbank Amsterdam
In eerste aanleg heeft de rechtbank bij vonnis van 8 augustus 2007 de vordering afgewezen omdat niet overeenkomstig artikel 7:23 BW binnen bekwame tijd, dat wil zeggen binnen twee maanden na het ontstaan van het gebrek geklaagd is. Weliswaar heeft koper op 8 september 2005 een brief gestuurd aan het veilinghuis waarin de koop werd ontbonden wegens een gebrek aan het paard, echter deze brief is nooit ter kennis gekomen van ING bank. Pas op 13 maart 2006 heeft de advocaat van de koper de ING bank in kennis gesteld van het gebrek. Omdat niet binnen bekwame tijd geklaagd is, komt koper geen beroep op non-conformiteit toe. De rechtbank wijst de vorderingen van de koper dan ook af.
Hoger beroep
Koper heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van de rechtbank bij het Gerechtshof Amsterdam, dat op 6 december 2011 hierover uitspraak heeft gedaan. Nadat er vele getuigen zijn gehoord, krijgt de koper opdracht te bewijzen dat het paard ten tijde van de veiling leed aan ernstige artrose, ontstekingen in het kogelgewricht en peesontsteking in het rechter voorbeen, waardoor het paard ernstig kreupel werd en reeds geruime tijd hiervoor werd behandeld. Ook moest de koper bewijzen dat de symptomen van deze aandoeningen werden gemaskeerd door medicatie, dat de ING Bank van dit alles op de hoogte was, dat de wijze waarop het paard tijdens de veiling werd gepresenteerd, hoefbevangenheid heeft veroorzaakt en dat de ING bank dit had moeten voorzien of dit had behoren te voorzien.
Het gerechtshof oordeelt dat de koper niet geslaagd is in dit bewijs. De ING bank kon volgens het gerechtshof enkel op de hoogte zijn van een ontstoken peesschede en een daardoor ontstaan kogeltunnelsyndroom en was niet bekend met een ontsteking in of bij het kogelgewricht waardoor ernstige, maar door medicatie of therapeutisch beslag gemaskeerde kreupelheid was ontstaan. Ook de door de ING bank ingehuurde dierenarts had geen reden om andere gebreken te vermoeden, zoals ook blijkt uit het door hem opgestelde innamerapport. Eens te meer omdat de behandelende dierenarts weigerde om het medisch dossier van het paard Poëtin te overleggen. Ook haalt het gerechtshof een door de ING bank in het geding gebrachte uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege aan, waarin is vastgesteld dat ernstige hoefbevangenheid een aandoening is die in zeer korte tijd kan ontstaan. Op 3 september 2005, daags na de aankoop van Poëtin, is het paard in Parijs onderworpen aan een medische keuring. Daaruit bleek dat er op dat moment geen aanwijzing voor hoefbevangenheid was.
Niet toe te rekenen
Het gerechtshof oordeelt dat de ING Bank in redelijkheid niet behoefde te voorzien dat de aandoening waarvoor het paard in de paardenkliniek werd behandeld, van zodanige aard was dat de gekozen wijze van presenteren aan het veilingpubliek en het daaropvolgende transport door de koper een gerede kans op het intreden van hoefbevangenheid meebracht.
De aansprakelijkheid van een verkoper als in dit geval de ING bank gaat blijkbaar niet dusdanig ver dat zij op de hoogte dient te zijn van alle mogelijke problemen bij een paard. De ING bank was in dit geval mede afhankelijk van de informatie van de behandelend veearts en het onderzoek door de ingehuurde veearts. Hierbij moet worden aangetekend dat als de ingehuurde dierenarts van gebreken op de hoogte is, dit aan de ING bank zou worden toegerekend. Echter, als eigenaar wordt je geacht op de hoogte te (kunnen) zijn van mogelijke gebreken, waardoor de uitkomst heel anders had kunnen zijn als het de eigenaar was geweest die het paard in een kliniek had laten behandelen en het vervolgens had verkocht. Daarbij moet opgemerkt worden dat op de nieuwe eigenaar een onderzoeksplicht rust, die meebrengt dat hij bij de vorige eigenaar navraag dient te doen naar de gezondheidstoestand van het paard.
Door mr. Christien Beernink, advocaat hippisch recht
Gerelateerde artikelen:







