U bent hier: Home > Faillissementen en overig insolventierecht > Redelijke kosten voor het terughalen van eigendommen in een faillissement
Redelijke kosten voor het terughalen van eigendommen in een faillissement

Redelijke kosten voor het terughalen van eigendommen in een faillissement

Indien u een leverancier van goederen bent, wilt u zeker weten dat u ook betaald krijgt voor de geleverde goederen. Een mogelijkheid is natuurlijk om betaling vooraf over een te komen, maar dat is niet in alle branches gebruikelijk of zelfs haalbaar. Vandaar dat de wetgever het instrument van het eigendomsvoorbehoud in het leven heeft geroepen. Een leverancier van goederen kan, bij overeenkomst of in de algemene voorwaarden, een eigendomsvoorbehoud bedingen op de door hem geleverde goederen. Dit houdt in, dat de goederen het eigendom blijven van de leverancier totdat deze volledig door de afnemer zijn betaald.Indien de afnemer failliet gaat, is het eerder regel dan uitzondering dat hij de openstaande facturen van zijn leveranciers nog niet (volledig) heeft betaald. De leverancier met een eigendomsvoorbehoud kan vervolgens bij de curator aankloppen en zich beroepen op zijn eigendom. Deze eigendom is namelijk nog niet overgegaan omdat de facturen nog niet zijn voldaan, en deze geleverde goederen vallen niet in de boedel. De curator kan deze dus niet uitwinnen en zal ze moeten teruggeven.

Het komt steeds vaker voor dat een curator een vergoeding eist voor de tijd en moeite die hij moet doen om de goederen ook daadwerkelijk weer aan de leverancier terug te geven. In de jurisprudentie is reeds uitgemaakt dat een dergelijke vergoeding inderdaad verschuldigd is, mits de hoogte van de vergoeding ook redelijk is. De vraag is dan natuurlijk, wat nog een redelijke vergoeding is.

Kantonrechter te Haarlem, 15 september 2010
Op 15 september 2010 is hierover nog een uitspraak gewezen door de kantonrechter te Haarlem. De curatoren in het faillissement van Lekker van der Laan Bekker B.V. hadden van alle leveranciers met een eigendomsvoorbehoud een boedelbijdrage geëist van 7% over de factuurwaarde van de terug te leveren goederen (vermeerderd met 19% B.T.W.), met als maximum een bijdrage van
€ 15.000,00,-, exclusief B.T.W. Eén leverancier betaalt deze boedelbijdrage om haar eigendommen terug te krijgen, maar legt zich daar niet bij neer en start een procedure om de betaling weer van de curatoren terug te vorderen.

De curatoren menen dat het gevorderde percentage van 7% redelijk is, aangezien zij een bedrijf, NTAB, hebben ingeschakeld om de goederen uit te leveren en juistheid van de beroepen op een eigendomsvoorbehoud te beoordelen. Ook hebben medewerkers van de curatoren werkzaamheden verricht om de juistheid van de eigendomsvoorbehouden te toetsen.

Overwegingen
De kantonrechter oordeelt in de eerste plaats dat de curatoren belast zijn met het beheer en de vereffening van de failliete boedel, hoofdzakelijk ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De werkzaamheden met betrekking tot het afhandelen van een eigendomsvoorbehoud leidt niet tot een bate voor de boedel, deze leveranciers blijven buiten het faillissement. De kosten verbonden met de werkzaamheden worden uitsluitend gemaakt ten dienste van de belangen van de leveranciers met een eigendomsvoorbehoud die buiten het faillissement staan, en niet van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.

Op grond van de redelijkheid en billijkheid dienen deze kosten te worden verhaald op diegenen in wiens belang die kosten worden gemaakt, dus de leveranciers met een eigendomsvoorbehoud. De curatoren zijn gerechtigd om de leveranciers met een eigendomsvoorbehoud de kosten in rekening te brengen ter uitlevering van aan de aan hen toebehorende goederen. 

Echter, de werkzaamheden die verband houden met het inventariseren van de activa en het beoordelen van de aanspraken op die activa behoren tot de wettelijke taak van de curatoren. Deze werkzaamheden geschieden immers in het belang van de boedel. Deze kosten hoeven niet door de leveranciers met een eigendomsvoorbehoud vergoed te worden aan de boedel.

Oordeel
De kantonrechter oordeelt, dat een deel van de door de curatoren ter onderbouwing van de gevorderde boedelbijdrage aangevoerde kosten niet voor vergoeding door de leveranciers in aanmerking komt. Hij verlaagt daarom de in rekening gebrachte boedelbijdrage van 7% naar 4% van de factuurwaarde van de goederen, op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Conclusie
Indien u als leverancier een beroep doet op uw eigendomsvoorbehoud richting de curator van uw failliete afnemer, dient u er rekening mee te houden dat deze curator van een redelijke boedelbijdrage kan verlangen. Zoals blijkt uit het bovenstaande vonnis, is het verstandig om vervolgens wel kritisch te staan tegenover de hoogte van de gevorderde boedelbijdrage. In de hierboven aangehaalde zaak bleek de kantonrechter een boedelbijdrage van 7% niet, en een boedelbijdrage van 4% wél redelijk te vinden.

Op welke wijze de kantonrechter in dit geval  tot dit percentage komt, is echter onduidelijk. Het is dus zeker niet gezegd dat een boedelbijdrage van meer dan 4% altijd onredelijk is, en een boedelbijdrage van 4% of minder altijd redelijk. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval, onder meer van de werkzaamheden die de curator daadwerkelijk heeft moeten verrichten en de kosten die hij daadwerkelijk heeft moeten maken. In het algemeen is er dus geen percentage aan de ‘redelijkheid’ te verbinden, maar duidelijk is wel dat het loont om dergelijke boedelbijdragen kritisch tegen het licht te houden.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen