U bent hier: Home > Faillissementen en overig insolventierecht > Het executeren van een vonnis ná opheffing van een faillissement
Het executeren van een vonnis ná opheffing van een faillissement

Het executeren van een vonnis ná opheffing van een faillissement

Indien een schuldenaar niet betaalt en daarvoor geen goede reden heeft, is het over het algemeen redelijk simpel om door middel van een incassoprocedure een veroordelend vonnis te krijgen. Vervolgens kan dit vonnis door een deurwaarder worden geëxecuteerd. Helaas komt het regelmatig voor, dat een schuldenaar na veroordeeld te zijn en geconfronteerd wordt met de executerende deurwaarder, ervoor kiest om zijn eigen faillissement aan te vragen. Op dat moment heeft u niets aan uw veroordelend vonnis, en kunt u uw vordering bij de curator indienen ter verificatie.


Een groot aantal faillissementen eindigt door ‘opheffing wegens gebrek aan baten’. In dat geval herleven de vorderingen van de schuldeisers en kan, tenzij uw vordering op enig moment verjaart, opnieuw bij de schuldenaar worden aangeklopt. De vraag is, hoe lang u dan mag wachten om het vonnis dat u eerder hebt gekregen, alsnog te executeren. Als hoofdregel geldt dat op grond van artikel 3:324 lid 1 BW de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een vonnis door verloop van twintig jaren verjaart. Betekent dit dat u in alle redelijkheid meer dan 10 jaar kunt wachten om over te gaan tot executie van het vonnis, waarbij u de wettelijke (handels)rente gewoon laat doorlopen en de vordering dus steeds hoger wordt?

In de zaak die onlangs bij het Gerechtshof Amsterdam speelde (uitspraak op 16 maart 2010), kwam deze vraag aan de orde. De feiten waren als volgt. IDM Bank NV (hierna: IDM) had een vordering op C vanwege een verstrekt krediet. Op 14 september 1993 wordt C (bij verstekvonnis) veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.510,90. IDM gaat in 1994 over tot executie van het vonnis, en vraagt in 1995 het faillissement van C aan omdat betaling uitblijft. In 1995 wordt C in staat van faillissement verklaard en in 1997 wordt dit faillissement bij gebrek aan baten opgeheven. Vervolgens blijft het lange tijd stil totdat IDM op 5 maart 2008 (ruim 10 jaar na het faillissement en 15 jaar na het verkrijgen van het vonnis) overgaat tot het leggen van executoriaal beslag op de uitkering van C. De vordering van IDM bedraagt inmiddels € 25.790,80, welk bedrag is samengesteld uit de hoofdsom van € 8.510,90, vermeerderd met de rente en kosten. Oftewel, door de lange tijdsduur die was verstreken, was de oorspronkelijke vordering meer dan verdrievoudigd!

C start vervolgens een rechtszaak tegen IDM, waarbij zij twee gronden aanvoert. Op de eerste grond (kort gezegd, dat de vordering van IDM een periodieke vordering betreft met een verjaringstermijn van vijf jaar, waardoor de rentevordering vanaf 14 september 1998 is verjaard) ga ik verder niet in, ik merk enkel op dat het Hof niet meegaat in dit verweer van C en IDM dus gelijk geeft; de rentevordering is niet verjaard. In het navolgende zal ik nader ingaan op de tweede grond van C, namelijk dat IDM, gelet op de omstandigheden van het geval, de voortzetting van het executoriaal beslag niet in redelijkheid uitoefent, zodat dit misbruik van recht zou opleveren.

Het Hof stelt vast dat het uitgangspunt is dat IDM haar rechten die voortvloeien uit het vonnis jegens C geldend kan maken. Het enkele feit dat de executie van het verstekvonnis pas geruime tijd na de opheffing van het faillissement van C weer door IDM is voorgezet, kan daaraan niet afdoen. Van misbruik van recht door IDM is geen sprake, het Hof geeft aan dat van misbruik van de bevoegdheid om een in kracht van gewijsde gegaan vonnis te executeren slechts in bijzondere gevallen sprake kan zijn. De enkele omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis meebrengt dat gedurende lange tijd beslag ligt op de inkomsten van C is voor het aannemen van misbruik van recht in ieder geval onvoldoende.

Het geschil spitst zich dan toe op de vraag of IDM de rente wel in redelijkheid kan vorderen, rente die inmiddels ruim € 17.000,= bedraagt.

Het Hof oordeelt dat C op de hoogte was van het feit dat IDM vorderingen had op C en dat er zelfs een verstekvonnis tegen C is gewezen, maar dat C desondanks niet aan de betalingsverplichtingen voortvloeiend uit het verstekvonnis heeft voldaan. Hierdoor is het niet het stilzitten van IDM dat ertoe heeft geleid dat de rentevordering onevenredig hoog is, maar het stilzitten (namelijk het niet-betalen) van C. Hiermee legt het Hof dus het risico waar het naar mijn mening ook hoort, namelijk bij de schuldenaar die niet betaald. Indien u dus een veroordelend vonnis haalt, kunt u dit niet alleen nog geruime tijd later executeren, maar tevens kunt u op grond van dit vonnis van het Hof aanspraak maken op de rente over de gehele periode dat uw schuldenaar niet heeft betaald. En zoals uit de hierboven besproken zaak blijkt, kan deze rente nog een aardig bedrag opleveren.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen